De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage heeft vandaag uitspraak gedaan in het kort geding dat De Telegraaf, Telegraafjournalisten Joost de Haas en Bart Mos, de Nederlandse Vereniging van Journalisten en het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren hadden aangespannen tegen de Staat over het afluisteren en observeren van de beide journalisten door de AIVD, nadat zij in januari van een geheime bron documenten met staatsgeheime informatie hadden verkregen en hierover hadden gepubliceerd. De staatsgeheime informatie was afkomstig van de AIVD. De voorzieningenrechter heeft de vordering grotendeels toegewezen. De AIVD moet het afluisteren en observeren van de beide journalisten in verband met de betreffende documenten met staatsgeheime informatie staken. Voorts dient alle informatie die de AIVD in dit verband heeft verkregen door de journalisten af te luisteren en te observeren, verwijderd en vernietigd te worden.
De AIVD heeft naar aanleiding van de publicaties uit de staatsgeheime informatie in De Telegraaf een onderzoek ingesteld zoals genoemd in artikel 6 lid 2 aanhef en onder a van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv 2002), het z.g. a-onderzoek. In een a-onderzoek kan gebruik worden gemaakt van bijzondere (opsporings)bevoegdheden, zoals het aftappen en afluisteren van gesprekken. Naar de mening van de eisers stond het de AIVD niet vrij om ten opzichte van de journalisten een dergelijk a-onderzoek in te stellen. De voorzieningenrechter concludeert dat de mogelijkheid bestaat dat de Staat op toereikende gronden een a-onderzoek heeft ingesteld. Op de vraag of ten opzichte van de beide journalisten ook gebruik is gemaakt van de bijzondere bevoegdheden die in een a-onderzoek kunnen gelden, kon de Staat niet ingaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is echter aannemelijk dat de AIVD inderdaad van deze bevoegdheden gebruik heeft gemaakt. De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat dit veronderstelde gebruik van de bijzondere bevoegdheden jegens de beide Telegraafjournalisten achterwege moet blijven. Er is geen voldoende rechtvaardiging voor de, aldus veronderstelde, verregaande inbreuk op de vrijheden van meningsuiting en van nieuwsgaring die voortvloeien uit artikel 10 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Bron: Rechtbank 's-Gravenhage