Onderwijsbeleid wordt voornamelijk op nationaal niveau bepaald. Er is weinig reden om dit naar Europees niveau te tillen. Een grotere markt is geen garantie voor hogere kwaliteit van het hoger onderwijs. Ook de effecten van internationale kennisoverdrachten door
studenten lijken niet groot. Wel vinden we dat studentenmobiliteit leidt tot meer arbeidsmobiliteit. Dit biedt een rechtvaardiging voor lichte vormen van coördinatie, zoals het verhogen van de transparantie binnen het hoger onderwijs en erkenning van diploma .Dit concluderen onderzoekers Laura Thissen en Sjef Ederveen van het Centraal Planbureau (CPB) in het dinsdag verschen en CPB Discussion Paper 'Higher education: Time for coordination on a European level?

Hoger onderwijs is altijd een zaak van nationale overheden geweest, niet van de Europese Unie. Er zijn twee theoretische motieven om coördinatie van hoger onderwijs naar Europees niveau te tillen. Enerzijds zijn er mogelijk voordelen van een grotere markt (schaalvoordelen). Anderzijds is het mogelijk dat nationaal onderwijsbeleid onvoldoende rekening houdt met de effecten voor andere landen (externe effecten). In de praktijk zijn deze redenen vooral van belang als studenten internationaal mobiel zijn. Dit Discussion Paper onderzoekt de relevantie van deze motieven voor het hoger onderwijs.

Internationale kennisoverdrachten (externe effecten) en concurrentie op kwaliteit tussen universiteiten (schaalvoordelen) doen zich alleen voor als studenten daadwerkelijk in andere landen gaan studeren. Studentenmobiliteit is de laatste decennia enorm toegenomen, maar ligt nog steeds onder de door de Europese Commissie gestelde doelen. De onderzoekers doen een empirische analyse naar de determinanten van studentenmobiliteit  binnen de EU. Zij vinden aanwijzingen dat studenten kwaliteit van het onderwijs belangrijk vinden in hun keuze voor een onderwijsinstelling in het buitenland. Grootschalige concurrentie op basis van kwaliteit is in de EU echter nog ver weg, omdat de meeste studenten bij voorkeur dicht bij huis studeren en nationale instituties vaak ook een blokkade voor effectieve concurrentie opwerpen.

Schaalvoordelen doen zich voor als grotere landen of grotere scholen een hogere kwaliteit onderwijs bieden. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat op een grotere markt meer concurrentie is om de beste studenten aan te trekken. Hierdoor kan een voedingsbodem voor topuniversiteiten ontstaan. De onderzoekers vinden echter weinig bewijs voor het bestaan van zulke schaalvoordelen. De kwaliteit van het hoger onderwijs is niet noodzakelijkerwijs hoger in grotere landen of bij grotere onderwijsinstellingen. Selectie van studenten lijkt belangrijker voor de kwaliteit van de universiteit dan de schaal.

Grensoverschrijdende externe effecten kunnen zich onder andere voordoen als studenten in een ander EU-land gaan studeren en met de daar opgedane kennis hun eigen universiteit na terugkomst bevoordelen. Andersom kan ook: de hoog opgeleide student kan met zijn kennis het onderwijsniveau aan de buitenlandse universiteit verhogen. Er is echter weinig empirisch bewijs voor het belang van dit soort kennisoverdrachten door studentenmobiliteit. Wel zijn er aanwijzingen dat studentenmobiliteit een voorloper is van arbeidsmobiliteit. Het ene EU-land kan de opleiding van de werknemer in spe betalen
terwijl het EU-land waar hij gaat werken, hiervan profiteert. Dat zou een reden vormen voor verdere coördinatie op EU-niveau. Grote effecten mogen hiervan op korte termijn niet verwacht worden, omdat de arbeidsmobiliteit tussen EU-landen gering is en afhankelijk van een scala aan factoren.

bron:CPB