De rechtbank Rotterdam (nevenvestigingsplaats 's-Gravenhage) heeft donderdag tijdens de vierde pro forma-zitting in de strafzaken tegen de leden van de zogenoemde Hofstadgroep onder meer beslist over twee preliminaire verweren, over de vorderingen tot nadere omschrijving van de tenlastelegging en over de voortduring van de voorlopige hechtenis. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van twee verdachten opgeheven.

Preliminaire verweren
Met betrekking tot de preliminaire verweren - in de zaak tegen Mohamed B. - heeft de rechtbank als volgt overwogen:

"De raadsman mr. Plasman heeft bij wijze van preliminair verweer allereerst gesteld dat de rechtbank Rotterdam (nevenvestigingsplaats 's-Gravenhage) in de zaak tegen de verdachte Mohamed B. niet bevoegd is tot kennisneming van de telastegelegde feiten, maar dat de rechtbank Amsterdam te dezen bij uitsluiting bevoegd is. Daartoe is - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat er met betrekking tot de telastegelegde feiten binnen het arrondissement Amsterdam reeds een vervolging loopt en dat die vervolging niet daarnaast in het arrondissement Rotterdam kan worden ingesteld. Overigens is, aldus de raadsman, de rechtbank Amsterdam sowieso bij uitsluiting bevoegd omdat de vervolging tegen de verdachte Mohamed B. in het arrondissement Amsterdam is aangevangen, hetgeen onder meer blijkt uit de omstandigheid dat de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam met betrekking tot de thans op de dagvaarding opgenomen feiten een kennisgeving van verdere vervolging aan de verdachte heeft doen betekenen. De raadsman heeft in dit verband er tevens op gewezen dat de feiten die in deze zaak op de dagvaarding zijn opgenomen in ieder geval ten dele zijn gebaseerd op het strafdossier waarvan de rechtbank Amsterdam reeds kennis heeft genomen en op basis waarvan de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 26 juli 2005 verdachte tot levenslange gevangenisstraf heeft veroordeeld wegens onder meer de moord op Theo van Gogh, terwijl het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk.

Met betrekking tot dit verweer merkt de rechtbank het volgende op. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting op 20 september 2005 is komen vast te staan dat er gà©à©n sprake is van een "dubbele" vervolging. De kennisgeving van verdere vervolging van 14 januari 2005 draagt het parketnummer 13/470000-05. In de dagvaarding van verdachte om op 20 september 2005 te verschijnen voor de rechtbank Rotterdam is uitdrukkelijk vermeld dat ten aanzien van de op die dagvaarding onder 1 tot en met 5 vermelde feiten een kennisgeving van verdere vervolging is voorafgegaan, onder aanhaling van genoemd nummer 13/470000-05. De verdachte is voor die feiten niet gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam.

Het enkele feit dat de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam de kennisgeving tot verdere vervolging heeft doen betekenen, brengt niet mee dat daarom de rechtbank Amsterdam bij uitsluiting bevoegd is van deze zaak kennis te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank verzet geen rechtsregel zich ertegen dat, zoals te dezen ook is geschied, de (verdere) vervolging door de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam is overgedragen aan zijn ambtgenoot bij het Landelijk Parket. Daaraan staat niet in de weg dat de rechtbank Amsterdam op basis van mogelijk ten dele hetzelfde dossier op 26 juli 2005 een vonnis heeft gewezen. Dat vonnis en de daaraan ten grondslag liggende telastelegging hebben betrekking op andere feiten dan de feiten die op de kennisgeving verdere vervolging en thans op de dagvaarding staan vermeld. De rechtbank wijst hierbij voorts nog op het volgende. In de zaken van de nu eveneens terechtstaande medeverdachten van verdachte Mohamed B. is door de officier van justitie van het Landelijk Parket de vervolging reeds ingesteld và³à³rdat voornoemde kennisgeving verdere vervolging en nadien de dagvaarding aan verdachte Mohammed B. zijn betekend. Dit betekent dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is op de voet van artikel 6 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, zulks daargelaten de bevoegdheid van de Rotterdamse rechtbank op de voet van artikel 2 lid 1 van dat wetboek, in welk artikellid is bepaald dat de rechtbank te Rotterdam bevoegd is indien de officier van justitie bij het landelijk parket met de vervolging van het strafbare feit is belast.

De rechtbank verwerpt het verweer en is van oordeel dat de rechtbank Rotterdam (nevenvestigingsplaats 's-Gravenhage) bevoegd is van de telastegelegde feiten kennis te nemen.

De rechtbank houdt de beslissing omtrent het verweer in de zaak tegen Mohammed B. inzake de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie aan. De rechtbank dient zich daarover nog nader te beraden. Hierover zal zo spoedig mogelijk op een nog nader te bepalen tijdstip uitspraak worden gedaan. De zaak zal derhalve worden aangehouden tot een nader te bepalen tijdstip. In verband met het voorgaande komt de rechtbank in deze zaak thans niet toe aan andere gedane verzoeken en vorderingen."

Vorderingen tot nadere omschrijving van de tenlastelegging
De rechtbank heeft de vorderingen tot nadere omschrijving van de tenlastelegging (ex artikel 314a WvSv.) die de officier van justitie op 20 september 2005 heeft ingediend toegewezen.

Voortduring van de voorlopige hechtenis
Ten aanzien van (de voortduring van de) voorlopige hechtenis als volgt overwogen:
"De raadslieden van een aantal verdachten hebben verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen dan wel deze te schorsen. De officieren van justitie hebben zich hiertegen verzet.
De rechtbank heeft ter terechtzitting van 29 juli 2005 aangegeven dat er op basis van de toen uit het dossier blijkende aanwijzingen gronden en voldoende ernstige bezwaren voor de voorlopige hechtenis aanwezig waren. De rechtbank is van oordeel dat die gronden en ernstige bezwaren ook thans nog aanwezig zijn. Echter, nu het onderzoek nagenoeg geheel is afgerond en de rol van de verdachten duidelijker contouren heeft gekregen, is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de verdachten Nadir A. en Zine Labidine A. ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat deze verdachten bij voortduring van de voorlopige hechtenis langere tijd van hun vrijheid beroofd zouden blijven dan de duur van de eventueel uiteindelijk aan hen op te leggen straf.
De rechtbank heft derhalve de voorlopige hechtenis ten aanzien van deze twee verdachten op.
Ten aanzien van de overige verdachten is vorenbedoelde situatie van artikel 67a, lid 3 Sv. thans niet aan de orde. De rechtbank wijst de verzoeken tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis van de overige verdachten af.

De behandeling van alle zaken (met uitzondering van de zaak tegen Mohamed B.) wordt aangehouden tot de terechtzitting van 5 december 2005 te 09.30 uur. Deze zaken worden verwezen naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Rotterdam. De verwijzing dient er toe dat de rechter-commissaris de na te noemen getuigen hoort en al datgene doet wat hij/zij in het belang van het onderzoek noodzakelijk acht.
Bij deze open verwijzing naar de rechter-commissaris geeft de rechtbank aan de rechter-commissaris in overweging om telkens alle verdachten en hun raadslieden in alle zaken op de hoogte te stellen van de omstandigheid dat verhoren van getuigen en/of deskundigen, dan wel andere onderzoekshandelingen zijn gepland. De verdediging zal aldus in de gelegenheid kunnen worden gesteld aan de rechter-commissaris te verzoeken aan genoemde onderzoekshandelingen ook in de hun betreffende zaak deel te nemen."

Overige verzoeken
Ook heeft de rechtbank beslist over een aantal door de officieren van justitie en de raadslieden gedane verzoeken omtrent het horen van getuigen. Voorzover de raadslieden hebben verzocht om kopieën van CD-Roms en/of geluidsbanden zijn deze verzoeken afgewezen nu de officieren van justitie ter terechtzitting hebben toegezegd dat de raadslieden in de gelegenheid zullen worden gesteld deze te bekijken of te beluisteren.

Bron: Rechtbank 's-Gravenhage