Minister Donner van Justitie heeft vandaag mede namens het kabinet een nota naar de Tweede Kamer gestuurd waarin een brede visie op de aanpak van radicalisme en radicalisering wordt gepresenteerd. De nota, die werd aangekondigd in de rapportage aan de Tweede Kamer over terreurbestrijding, maakt inzichtelijk op welke wijze radicalisme en radicalisering een bedreiging vormen voor de samenleving en de democratische rechtsorde en geeft op hoofdlijnen aan hoe het kabinet die dreiging wil tegengaan.

Een nadere invulling van een van die lijnen wordt gegeven in de tegelijkertijd verschenen nota 'weerbaarheid en integratiebeleid' van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie; verdere bestuurlijke en juridische maatregelen zullen binnenkort in een gezamenlijke brief van de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden aangekondigd.

Minister Donner constateert dat er twee omstandigheden zijn waaronder de overheid moet optreden tegen radicalisme. De eerste is als dat radicalisme direct leidt tot geweld of andere strafbare feiten. De tweede is als een vorm van radicalisme die de democratische rechtsstaat afwijst, een grote aanhang krijgt.

Gemeten tegen deze criteria, zijn er momenteel drie vormen van radicalisme waartegen de overheid moet optreden: islamitisch radicalisme, rechts-radicalisme en dierenrechtenactivisme. Alle drie gaan -zij het niet in gelijke mate- gepaard met geweld dat direct slachtoffers maakt, en van alle drie gaat een dreiging met geweld uit die ontwrichtend werkt in de samenleving. Het rechts-radicalisme en islamitisch radicalisme verspreiden daarnaast een maatschappij- en rechtsopvatting die de democratische rechtsorde ernstig kan ondermijnen.

De nota geeft een beknopt overzicht van de manier waarop het kabinet radicalisme en radicalisering wil tegengaan. Daarbij onderscheidt het drie hoofdlijnen.
De eerste is het versterken van de binding aan de samenleving, in het bijzonder van groepen waarbinnen het radicale gedachtegoed een voedingsbodem vindt.
De tweede is empowerment, het vergroten van de weerbaarheid van de samenleving, zodat individuele mensen maar ook gemeenschappen zich kunnen verzetten tegen radicalisme dat hen aantast of probeert te werven.

De derde is actief ingrijpen door de creatieve inzet van bestaande juridische en
bestuurlijke instrumenten -zowel door de rijksoverheid als door gemeenten- en de
ontwikkeling van een klein aantal nieuwe. Daarbij gaat het onder andere om de
strafbaarstelling van het verheerlijken van geweld en de maatregelen op het gebied van haatzaaien en terroristische uitingen op internet, waarover vorige week nog een brief aan de Tweede Kamer is gestuurd.
De bewindsman schrijft verder dat de bestrijding van radicalisme en radicalisering een kwestie van lange adem is en dat die bestrijding uit de hele samenleving moet komen. De overheid moet een beleid voeren dat gemeenschappen, organisaties en individuele burgers uitnodigt hun bijdrage te leveren en dat hen daarbij steunt. Een dergelijk beleid bestrijkt veel terreinen en vergt dus goede afstemming. Het kabinet realiseert deze integrale aanpak door regelmatig overleg tussen de betrokken bewindslieden en door via overleg en samenwerking met lokale overheden en in internationaal verband richting te geven aan activiteiten en maatregelen.

bron:MinJus