De coalitie van CDA, VVD en D66 heeft dinsdag 4 oktober in de Eerste Kamer verdeeld gestemd over de nieuwe pensioenregeling voor vrije beroepen. De regeling werd met steun van de oppositiepartijen aanvaard. De regeringsfracties van VVD en D66 lieten aantekenen dat zij tegen het wetsvoorstel zijn.

Collectivisme
Vooral de verplichting in de nieuwe regeling voor vrije beroepsbeoefenaren om deel te nemen aan de regeling als 60% van de beoefenaren daarom vraagt, stuitte VVD en D66 tegen de borst. VVD-senator Biermans hekelde het collectivisme in de regeling. Volgens Biermans was het enige juiste besluit geweest om de bestaande regeling uit 1972 af te schaffen en het aan de vrije beroepen zelf over te laten hoe zij hun pensioenvoorziening regelen.

Minister De Geus (CDA, sociale zaken) zei dat de overheid alleen voorwaardenscheppend optreedt. De regeling voorziet in de oprichting van beroepspensioenverenigingen die namens beroepsgenoten om een verplichte pensioenregeling kunnen vragen. Op die manier worden vrije beroepers tot solidariteit gedwongen, oordeelden VVD en D66.

Notarissen
CDA-woordvoerder mevrouw Vedder-Wubben vroeg aandacht voor de speciale positie van notarissen en kandidaat-notarissen. Volgens de wet op het notarisambt zijn zij al gedwongen deel te nemen aan een eigen pensioenregeling. Op grond van de nieuwe regeling voor verplichte deelneming aan een beroepspensioenregeling zouden zij anders dan nu het geval is te maken krijgen met een 'doorsneepremie', waardoor kandidaat-notarissen meer premie moeten gaan betalen en hun 'bazen' juist minder. Minister De Geus zegde toe, dat hij in een brief aan de notarissen op deze kwestie zal ingaan.

Noodzaak
PvdA-woordvoerder Leijnse betwistte de noodzaak om een aparte beroepspensioenvereniging op te richten naast de veelal bestaande beroepsverenigingen. Als zo'n pensioenregeling er eenmaal is, wat is dan nog de reden van bestaan van zo'n aparte
beroepspensioenvereniging? Minister De Geus zei dat het middel van de vereniging helpt om op een eenvoudige manier eens per vijf jaar te kunnen vaststellen hoeveel beroepsgenoten nog achter een verplichte pensioenregeling staan. Wie ervan af wil, zegt zijn lidmaatschap op.

bron:Eerste Kamer