Verschillende drempels kunnen een effectieve kennisoverdracht tussen universiteiten en bedrijven in de weg staan. Onderzoekers in de publieke sector worden vooral beoordeeld op hun wetenschappelijke publicaties en worden niet of nauwelijks geprikkeld om hun kennis naar de markt te brengen. Een belangrijk knelpunt bij bedrijven is dat zij ook zelf moeten investeren in kennis om gebruik te kunnen maken van wetenschappelijke kennis. Beleid gericht op het verzachten van deze knelpunten kan de wisselwerking tussen universiteiten en bedrijven verbeteren.

Het octrooieren van wetenschappelijke bevindingen kan kennisoverdracht tussen universiteiten en bedrijven bevorderen. Om wetenschappers ertoe aan te zetten hun bevindingen te octrooieren kunnen financiële prikkels worden ingezet. Ervaringen in de VS laten zien dat wetenschappers vaker octrooien aanvragen wanneer zij delen in de licentie-inkomsten. Veelgenoemde nadelen van zulke prikkels, zoals geheimhouding van onderzoeksresultaten, blijken in de praktijk mee te vallen.

Dit concluderen onderzoekers van het Centraal Planbureau (CPB) in het vandaag verschenen CPB Document 'Crossing borders: when science meets industry'. Zij hebben geanalyseerd hoe wetenschappelijke kennis naar de markt kan worden gebracht.

In eerder onderzoek kwam het CPB tot de conclusie dat bedrijven in de Europese Unie niet systematisch minder wetenschappelijke kennis benutten dan bedrijven in de VS (zie ook het persbericht d.d. 29 juni 2005 bij CPB Document 88, Nederlands onderwijs en onderzoek in internationaal perspectief). Er valt echter wel een aantal zwakke plekken aan te wijzen. In het vandaag gepubliceerde onderzoek bespreekt het CPB de belangrijke barrià¨res die een effectieve wisselwerking tussen universiteiten en bedrijven in de weg staan.

Barrià¨res bij universiteiten
De belangrijkste barrià¨re voor wetenschappers in de publieke onderzoekssector is waarschijnlijk een beloningsstructuur die wisselwerking niet stimuleert. In de praktijk blijkt dat onderzoekers niet of nauwelijks worden geprikkeld om hun werk naar de markt te brengen, terwijl zij sterke prikkels ervaren om te publiceren en onderwijs te geven.

Een andere barrià¨re hangt samen met verschillende onderzoeksagenda's in de publieke en private sector. Zo zijn wetenschappers aan universiteiten in veel sterkere mate dan de R&D in het bedrijfsleven actief op gebieden als medische technologie, milieu en veiligheid, terwijl onderzoekers in het bedrijfsleven focussen op bijvoorbeeld ICT en procestechnologie. Zulke uiteenlopende onderzoeksactiviteiten verminderen de wisselwerking tussen de publieke en private sector. Overigens kunnen deze verschillende specialisatiepatronen gerechtvaardigd zijn vanwege specifieke overheidstaken, zoals gezondheidszorg en veiligheid.

Barrià¨res bij bedrijven
Benutten van wetenschappelijke kennis is geen free lunch: bedrijven zullen zelf in onderzoek en contacten met de wetenschappelijke wereld moeten investeren om gebruik te kunnen maken van nieuwe inzichten uit de wetenschap. Vooral bij kleinere bedrijven kan dit een probleem vormen.

Daarnaast speelt nog een barrià¨re een rol: banken hebben minder informatie over de kwaliteit van een onderzoeksproject dan het bedrijf, en kredietnemers kunnen hun informatievoordeel proberen te benutten door bijvoorbeeld meer risicovolle projecten voor te dragen. Dit maakt het lastig om nieuwe onderzoeksprojecten te financieren, omdat het banken terughoudend maakt in kredietverstrekking. Nieuwe wetenschappelijke ideeën die vragen om een substantiële investering vanuit de private sector zijn wellicht niet te commercialiseren wanneer zulke kredietproblemen een rol spelen.

Ervaringen met beleid
Buitenlandse ervaring leert dat het octrooieren van wetenschappelijke vindingen de kennisoverdracht van universiteiten naar bedrijven kan stimuleren. Wetenschappelijke kennis dient immers vaak verder uitgewerkt te worden voordat deze commercieel te maken is. Bedrijven moeten dikwijls dan ook zelf nog investeren in R&D. Zij zullen hiertoe alleen bereid zijn wanneer de wetenschappelijke kennis voldoende is afgeschermd. Een octrooi op een wetenschappelijke vinding in combinatie met een exclusieve licentieovereenkomst tussen bedrijf en universiteit biedt zulke bescherming. Ervaringen met de Amerikaanse patentwetgeving voor publiek gefinancierd onderzoek bij universiteiten (de zogenoemde Bayh-Dole Act) laten zien dat wetenschappers vaker hun kennis octrooieren wanneer zij direct delen in licentie-inkomsten uit hun eigen uitvindingen. Octrooiaanvragen zijn dikwijls tijdrovend en vereisen specifieke expertise. Ondersteuning van wetenschappers bij het indienen - door middel van Technology Transfer Offices - werpt in de VS vruchten af. Soortgelijke maatregelen zouden ook overwogen kunnen worden in Nederland.

Het succes van een dergelijk octrooieringsbeleid staat of valt met de selectie van bedrijven aan wie wetenschappers hun vinding vervolgens in licentie geven. Het blijkt soms lastig om bedrijven te selecteren die in staat zijn de wetenschappelijke kennis verder te commercialiseren. Wetenschappelijke kennis blijft onbenut wanneer bedrijven hier niet in slagen. Daarom ligt het in de rede om afspraken te maken over het intrekken van het exclusieve karakter van de overeenkomst wanneer het bedrijf niet in staat is om het idee binnen een bepaalde tijd te commercialiseren.

Problemen op de kapitaalmarkt kunnen worden opgelost wanneer de overheid 'slim' durfkapitaal verstrekt. Zo zijn in Israël eerdergenoemde informatieproblemen tussen ondernemer en investeerder (waarbij ondernemers hun informatievoordeel proberen te benutten ten faveure van zichzelf) verminderd door inschakeling van onafhankelijke experts.

bron:CPB