Ondanks een sterke stijging van de werkloosheid is het aantal bijstandsuitkeringen de afgelopen jaren slechts beperkt toegenomen. Dit is deels het gevolg van de ingevoerde budgettering van de gemeentelijke bijstandsuitgaven. Hierdoor is de stijging van het gemiddelde aantal bijstandsuitkeringen over 2004 naar schatting ongeveer 8 000 personen lager uitgevallen.Dit concluderen de onderzoekers Hans Stegeman en Annemiek van Vuren van het Centraal Planbureau (CPB) in het woensdag verschenen CPB Document Wet Werk en Bijstand: Een eerste kwantificering van effecten.
Prikkels in de WWB
Per 1 januari 2004 is de Wet Werk en Bijstand (WWB) in werking getreden. Sindsdien krijgen gemeenten van de rijksoverheid een budget waaruit zij de bijstandsuitgaven volledig moeten betalen. Eerder konden gemeenten de bijstandsuitgaven grotendeels declareren bij het rijk. Elke euro die een gemeente nu overhoudt, mag zij besteden voor andere doeleinden. Elke euro die zij tekort komt, moet ze zelf bijpassen. Dit financiële belang moet gemeenten prikkelen tot een effectievere uitvoering van de Bijstandswet.

Effect: 2% minder bijstandsuitkeringen in 2004
Met behulp van gegevens op gemeenteniveau over de periode 2001-2004 is onderzocht wat de invloed op het bijstandsvolume is van de verandering in de financiering. Daarbij is rekening gehouden met gemeentekenmerken en de stand van de conjunctuur. De onderzoeksresultaten geven een indicatie dat de budgettering heeft geleid tot een lager bijstandsvolume. Volgens de schattingen heeft het budgetteren gezorgd voor een circa 2 procent geringer bijstandsvolume in 2004. Ofwel: de groei is met ongeveer 8 000
uitkeringen verlaagd. Gezien het beperkte aantal jaren waarin de budgettering (gedeeltelijk) in werking is, zijn de resultaten met forse onzekerheid omgeven.

Het effect van budgettering uit zich zowel in een lagere instroom in de bijstand als in een hogere uitstroom, waarbij het effect op de uitstroom groter is dan op de instroom. Uit de schattingen komt ook naar voren dat grote gemeenten relatief meer resultaat boeken bij instroombeperking dan kleinere gemeenten.

Gemeentelijke inspanningen lonen
De schattingsresultaten sluiten aan bij kwalitatieve informatie over de uitvoering van de WWB door gemeenten. Aan de instroomkant steken veel gemeenten energie in de controle op de rechtmatigheid van de aanvragen en in zogenoemde Workfirst-projecten. Bij dergelijke projecten krijgen mensen een tijdelijke werkervaringsplaats aangeboden in plaats van een uitkering. Daarnaast is de controle op fraude bij bestaande uitkeringen geïntensiveerd door bijvoorbeeld huisbezoeken en koppeling van diverse
databestanden. Berekeningen laten ook zien dat de verschillen in doelmatigheid tussen gemeenten in 2004 geringer zijn dan in voorgaande jaren. Blijkbaar hebben veel gemeenten hun beleidsinspanningen vergroot, waardoor de verschillen zijn afgenomen.

Eerste effectmeting
De effectiviteit van de WWB kan niet rechtstreeks worden afgelezen uit het totaal aantal bijstandsuitkeringen. Dit aantal wordt immers ook (en vooral) beïnvloed door andere factoren, zoals huishoudensamenstelling, opleidingsniveau en conjunctuur. Zo leidt een
toename van de werkloze beroepsbevolking tot een stijging van het aantal personen in de bijstand. Uit het onderzoek blijkt overigens dat het effect van de conjunctuur op het bijstandsvolume geringer is dan tot voor kort werd aangenomen. Voor het onderzoek kon alleen gebruik worden gemaakt van cijfers met de eerstejaarseffecten van de WWB in 2004. Het is aannemelijk dat een deel van de effecten vertraagd zal optreden. Bijvoorbeeld omdat het budget voor grote gemeenten in 2004 nog pas voor 40% op het objectieve verdeelmodel was gebaseerd en nu in 2006 voor 100%. De schattingsresultaten kunnen bovendien ook iets anders uitpakken als een periode van economische opgang wordt meegenomen. Herhaling van het onderzoek op een later moment is daarom aan te bevelen om de effecten nog beter vast te kunnen stellen.

bron:CPB