CPB: Stimuleren bètastudie: weinig effect op onderzoek en ontwikkeling(R&D)



Het stimuleren van de deelname aan bèta-opleidingen lijkt geen effectief instrument voor het bevorderen van onderzoek en ontwikkeling (R&D) in Nederland. Meer dan de helft van de afgestudeerde bèta s en technici (kortweg: bèta s) gaat niet in R&D werken. Dat betekent dat veel subsidie elders in de economie neerslaat.

Bovendien lijkt er geen sprake te zijn van een tekort aan bèta s. Verschillende indicatoren van de arbeidsmarkt, zoals het aantal vacatures, de hoogte van de lonen en de mate van arbeidsparticipatie, wijzen niet op schaarste. Verder kan de toenemende internationalisering van de arbeidsmarkt van bèta s de aantrekkelijkheid van bèta-opleidingen en de effectiviteit van het beleid verminderen. Nederlandse bèta s zullen dan immers steeds meer moeten concurreren met goedkope buitenlandse bèta s.

Dit concludeert het Centraal Planbureau (CPB) in het vandaag verschenen CPB Document Scarcity of science and engineering students in the Netherlands: De conclusies zijn gebaseerd op analyses van grote databestanden over de Nederlandse arbeidsmarkt en op theoretische en empirische economische literatuur.

R&D is belangrijk voor productiviteit
In internationale vergelijkingen scoort Nederland relatief laag wat het niveau van R&D-uitgaven betreft. Ook het aandeel afgestudeerde bèta s is hier internationaal gezien laag. Is dit een aanleiding voor de overheid om in te grijpen in de arbeidsmarkt voor afgestudeerde bèta s? Niet direct; onevenwichtigheden tussen vraag en aanbod kunnen in principe door marktkrachten, bijvoorbeeld via loonaanpassingen, worden opgelost. Echter,
bèta s vervullen een belangrijke functie in R&D. Veel studies laten zien dat R&D ook de productiviteit in andere sectoren van de economie kan laten stijgen. De economische literatuur duidt dit aan als positieve externe effecten van R&D. Als de overheid erin slaagt om de R&D-activiteit in Nederland te laten toenemen, dan kan de welvaart daardoor stijgen. Het bevorderen van R&D in Nederland is daarom een legitieme zaak voor de overheid. Eén van de mogelijkheden daarvoor is het bevorderen van de deelname aan bèta-opleidingen. In hoeverre bèta s ook in andere beroepen positieve externe effecten genereren, is niet bekend. Evenmin is bekend of afgestudeerden van andere opleidingen positieve externe effecten genereren.

Geen aanwijzingen voor een tekort
Een tekort aan bèta s kan op verschillende manieren zichtbaar worden op de arbeidsmarkt.
Zo zouden we verwachten dat hun lonen hoog zouden zijn vergeleken met andere afgestudeerden en dat de verschillen in beloning in de afgelopen jaren zouden zijn toegenomen. Ook zouden we verwachten dat er relatief veel vacatures voor bèta s zouden zijn omdat bedrijven geen geschikte kandidaten kunnen vinden. Daarnaast zou de werkloosheid onder bèta s lager moeten zijn dan onder andere afgestudeerden vanwege de grote vraag van werkgevers naar deze afgestudeerden. Op grond van dezelfde redenering zouden we kunnen verwachten dat de arbeidsparticipatie van bèta s relatief hoog zou zijn en dat zij gemiddeld meer uren zouden werken dan andere afgestudeerden. Echter, geen van deze verwachtingen wordt bevestigd door de cijfers. Integendeel, de analyse van deze indicatoren geeft aan dat de arbeidsmarktpositie van bèta s het afgelopen decennium is verslechterd. Zo is de beloning van bèta s sinds 1996 achtergebleven bij die van alle andere hoger opgeleiden. Ten opzichte van afgestudeerden met een universitaire economieopleiding zijn de verschillen nog groter. In 1979 verdienden universitair afgestudeerde economen evenveel als bèta s, in 1996 verdienden economen 9 % meer en in 2002 is het verschil toegenomen tot 12 %. De arbeidsparticipatie van bèta s is lager dan die van andere hoger opgeleiden en de werkloosheid onder bèta s is hoger; daarbij is de positie van bèta s sinds 1992 verslechterd. Het aantal vacatures voor
bèta s is vergelijkbaar met die van andere hoger opgeleiden maar lager dan die van afgestudeerden in economische opleidingen. Het beeld voor het aantal gewerkte uren is gemengd: universitair afgestudeerde bèta s werken minder dan andere hoger opgeleiden, bèta s met een hbo-opleiding werken daarentegen gemiddeld meer uren.

De zorgen van werkgevers?
Hoe valt dit beeld van de arbeidsmarkt te rijmen met de problemen die werkgevers ondervinden bij de werving van personeel? Een eerste factor die een rol kan spelen, is de internationalisering. De markt voor R&D en de arbeidsmarkt voor bètas worden in toenemende mate internationaal. Bedrijven hebben hierdoor toegang tot het internationale aanbod van bèta s en kunnen activiteiten verplaatsen naar andere landen. Als gevolg van de internationalisering kan het loon van bèta s steeds meer bepaald worden door internationale vraag- en aanbodverhoudingen. Als dit loonniveau lager is dan in andere segmenten van de Nederlandse arbeidsmarkt zal het moeilijk zijn voor werkgevers om Nederlandse bètas te vinden. Voor bèta s kan het dan aantrekkelijker zijn om in andere sectoren aan de slag te gaan. Een tweede factor die een rol kan spelen, is het aggregatieniveau van de analyse. In veel analyses wordt gekeken naar alle bèta-afgestudeerden. Het is mogelijk dat voor specifieke opleidingen het beeld anders is, bijvoorbeeld doordat bij bepaalde opleidingen tekorten en bij andere opleidingen overschotten optreden. In dat geval gaat het om aansluitingsproblemen tussen vraag en aanbod van bèta-afgestudeerden. Deze specifieke tekorten zijn moeilijk te voorspellen en daarom ook minder geschikt om beleid op te maken.

Het bevorderen van R&D in Nederland
Welk beleid is het meest effectief om R&D te stimuleren? In het algemeen is beleid dat aangrijpt bij het probleem zelf het meest effectief. In dit geval is dat beleid gericht op R&D-activiteiten. Dit wordt al gedaan met R&D-subsidies voor bedrijven. Deze studie gaat echter niet over directe R&D-subsidies en kan derhalve ook geen uitspraken doen over de wenselijkheid van het aanpassen van de huidige R&D-subsidies.

Het bevorderen van de deelname aan bèta-opleidingen, het onderwerp van deze studie, is een indirecte manier om R&D te bevorderen. Dit kan door het gebruik van instrumenten als financiële prikkels (lagere collegegelden) of projecten gericht op het vergroten van de belangstelling voor techniek (zoals R&D-banen meer aantrekkelijk maken), of gericht op het verminderen van de studie-uitval tijdens bètastudies. Deze indirecte manieren zijn minder effectief, omdat daarbij veel subsidie elders in de economie neerslaat; meer dan de helft van de afgestudeerde bèta s gaat niet in R&D werken. Dit probleem speelt minder bij beleid dat zich richt op de overgang naar het werken in R&D, bijvoorbeeld door het aantrekkelijker maken van R&D-banen.

Daarnaast is het verstandig om beleidsinstrumenten zo te ontwerpen dat een geloofwaardige evaluatie mogelijk is. Van veel instrumenten is niet bekend of ze daadwerkelijk effect hebben op, bijvoorbeeld, het aantal afgestudeerde bètas. Kennis over het effect van deze instrumenten kan worden verkregen door instrumenten zodanig vorm te geven dat een controlegroep gevormd wordt, zodat een goede vergelijking kan worden gemaakt.

bron:EZ



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: