Mensen die geen scholier of student meer zijn, volgen iets minder vaak een opleiding of cursus. In 2005 deed 13,5 procent een cursus of opleiding. In 2003 was dat nog 15 procent. Vergeleken met andere Europese landen behoort Nederland tot de subtop.Dat blijkt uit een studie van het CBS.

Tot 2003 nog een toename
De deelname aan post-initieel onderwijs steeg van bijna 12 procent in 1995 tot 15 procent in 2003. Daarna is het teruggelopen tot 13,5 procent in 2005. Vijf jaar geleden namen vrouwen minder aan post-initieel onderwijs deel dan mannen. Deze achterstand hebben zij inmiddels weggewerkt.

Laagopgeleiden en ouderen nemen minste deel
De deelname aan post-initieel onderwijs is laag onder laagopgeleiden. Hoe hoger opgeleid, hoe vaker men een opleiding of cursus volgt. Ook is er een samenhang met leeftijd: ouderen doen minder vaak een opleiding of cursus dan jongeren.

Doel opleiding meestal werkgerelateerd
Mensen volgen meestal een opleiding of cursus vanwege hun werk of om een (andere) baan te vinden. Dit geldt in meer dan vier op de vijf gevallen. Werknemers bij de overheid en semi-overheid en bij de financiële en zakelijke dienstverlening volgen relatief vaak een cursus of opleiding.

Nederland in Europese subtop
In Europees verband wordt uitgegaan van het zogeheten levenlang leren. Dit is bepaald als het aandeel van de 25–64-jarigen dat een opleiding of cursus volgt. Nederland behoort tot de subtop, na de Scandinavische landen, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland.
In de Lissabon-norm is voor heel Europa afgesproken dat 12,5 procent van de bevolking in 2010 aan enige leeractiviteit deelneemt. Hieraan voldoet Nederland dus al. De Nederlandse regering heeft zichzelf echter een ambitieuzer doel gesteld en dit percentage in het jaar 2010 bepaald op 20 procent. De deelname aan levenlang leren daalde echter van 17,4 procent in 2003 naar 16,6 procent in 2005. Als deze ontwikkeling doorzet, wordt de doelstelling niet gehaald.

bron:CBS