Eerste kamer accoord met ruimere bevoegdheden politie en justitie



De Eerste Kamer heeft vandaag ingestemd met een wetsvoorstel van minister Donner dat justitie en politie meer bevoegdheden geeft persoonsgegevens op te vragen bij maatschappelijke instellingen en bedrijven als dat voor de opsporing noodzakelijk is. Het wetsvoorstel is gebaseerd op voorstellen van de Commissie Strafvorderlijke gegevensvergaring in de informatiemaatschappij en op het kabinetsstandpunt dat hierover in mei 2002 is verschenen.

De huidige bevoegdheden van politie en justitie om gegevens op te vragen, zijn beperkt en soms onduidelijk. Opsporingsambtenaren zijn nogal eens aangewezen op vrijwillige verstrekking van gegevens, terwijl voor bedrijven en instellingen het niet altijd helder is of ze mogen meewerken aan verzoeken van opsporingsdiensten. Maatschappelijke instanties, bedrijfsleven en opsporingsdiensten zijn gebonden aan de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Zij kunnen daarom niet vrij persoonsgegevens beschikbaar stellen of gegevens opvragen.

Door gebruik van informatie- en communicatietechnologie beschikken maatschappelijke instanties en bedrijven steeds vaker over gegevens van personen. Transacties gaan in toenemende mate langs elektronische weg en gegevens worden meer dan voorheen op geautomatiseerde wijze verwerkt en opgeslagen. Bij de opsporing van misdrijven spelen dergelijke persoonsgegevens een onmisbare rol. Deze rol neemt toe.
Het kabinet is van oordeel dat vanwege het toenemend belang voor de opsporing er meer mogelijkheden moeten komen om over persoonsgegevens te kunnen beschikken. Het wetsvoorstel voorziet daarin. Er komt daarmee een eind aan de bestaande onduidelijkheid en ontoereikendheid van regels. Bovendien sluit het kabinet aan bij de ontwikkeling van de samenleving tot informatiemaatschappij.

Het voorstel komt erop neer dat in het Wetboek van Strafvordering enkele algemene bevoegdheden worden opgenomen die zich niet beperken tot één bepaalde bedrijfstak, maar breder van toepassing zijn.
Elke bevoegdheid heeft betrekking op een specifieke categorie persoonsgegevens. Zo kan een opsporingsambtenaar 'identificerende' gegevens van een bepaalde persoon opvragen. Het gaat dan niet alleen om iemands naam, adres, woonplaats, geboortedatum of geslacht, maar ook om zijn of haar klantnummer, nummer van een polis of een rekeningnummer bij de bank.
De ervaring leert dat vooral aan het begin van een opsporingsonderzoek deze gegevens een belangrijke rol spelen. Politie en justitie zijn met behulp van die informatie sneller in staat vast te stellen wie de personen zijn waarop het onderzoek zich richt, en kunnen verbanden leggen tussen situaties en personen.

Ook andere gegevens dan de genoemde identificerende gegevens kunnen opgevraagd worden. De officier van justitie komt deze bevoegdheid toe. Het betreft gegevens over diensten die verleend zijn, zoals de duur, de data, de plaats en de aard van de dienstverlening en informatie over rekeningen en ander betalingsverkeer. Als het opsporingsonderzoek verder is gevorderd zijn het vooral deze gegevens die relevant zijn. Opsporingsdiensten krijgen zo meer zicht op het patroon van gedragingen van een persoon. Voorbeelden hiervan zijn: reisgedrag en handelingen bij financiële transacties.
Daarnaast biedt het wetsvoorstel de mogelijkheid zogenaamde gevoelige gegevens te vorderen. Deze categorie kan vanwege hun aard een indringende inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer. Hieronder valt informatie over iemands godsdienst, ras, politieke gezindheid, gezondheid of seksuele leven. Daarom kan de officier van justitie pas van de bevoegdheid gebruik maken als aan zwaardere voorwaarden is voldaan, zoals de voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris.
Justitie en politie kunnen op basis van de voorgestelde bevoegdheden ook over anderen dan de verdachte gegevens vergaren. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om gegevens over het slachtoffer of gegevens over derden waarmee de verdachte contacten heeft onderhouden die kunnen bijdragen aan een goede afronding van het opsporingsonderzoek.

Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel is een zorgvuldige afweging gemaakt tussen het opsporingsbelang, het belang van degene op wie de gegevens betrekking hebben en het belang van de derde van wie de gegevens worden gevorderd. De regeling van de bevoegdheden heeft met elk van deze belangen rekening gehouden.
Naarmate een bevoegdheid -gelet op de aard van de gegevens- meer inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer of meer inspanningen vergt van een bedrijf of instelling om aan een verzoek tot verstrekking te voldoen, worden strengere eisen gesteld aan de toepassing. Niet elke bevoegdheid mag in alle gevallen worden gebruikt. Gevoelige gegevens mogen niet worden opgevraagd bij lichte misdrijven. Dat kan wel bij misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Andere dan identificerende gegevens mogen worden vergaard bij misdrijven waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer staat. De bevoegdheid om identificerende gegevens te vorderen, is toegestaan bij de opsporing van elk misdrijf.

Het wetsvoorstel is getoetst aan artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Zo is de regeling voldoende precies geformuleerd. De burger weet vooraf onder welke omstandigheden en voorwaarden de bevoegdheid mag worden toegepast. Ook is de toepassing controleerbaar doordat een vordering tot verstrekking van gegevens schriftelijk moet zijn gedaan. Van de verstrekking wordt een proces-verbaal opgemaakt. Deze voorschriften en de criteria die in de wet zijn opgenomen voor toepassing van de bevoegdheden bieden waarborgen in de zin van artikel 8 EVRM.

bron:MinJus



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: