Eindrapportage Zeven Antillianengemeenten, 2001-2004



DOCA Bureaus heeft de gemeenten en hun aanpak van Antilliaanse risicojongeren gedurende de vier jaar gevolgd. Het heeft vandaag de eindrapportage van het Antillianenbeleid in zeven gemeenten aan minister Rita Verdonk doen toekomen.

Vier jaar geleden heeft de regering geld ter beschikking gesteld aan zeven gemeenten, omdat de toestroom van kansarme Antilliaanse jongeren met een slechte kennis van de Nederlandse taal en zonder behoorlijke opleiding erg groot was en de gemeenten geconfronteerd werden met uitzonderlijke overlast en criminaliteit. De zeven gemeenten waren Amsterdam, Den Haag, Den Helder, Dordrecht, Groningen, Nijmegen en Rotterdam.

In totaal ging het om een rijksbijdrage van 11.000.000 Euro voor de jaren 2001 tot 2004. Met dit geld hebben de gemeenten een beleid ontwikkeld gericht op het vinden en binden van hun risicojongeren. In concreto hebben ze risicojongeren geholpen bij het oplossen van hun problemen met de taal, hun schulden, hun huisvesting, scholing en werk. Ze hebben jonge alleenstaande moeders ondersteund bij de opvoeding van hun kinderen. Er zijn brassbands opgericht alsook sportactiviteiten en andere activiteiten georganiseerd waar Antilliaanse jongeren behoefte aan hebben en die hen in contact brachten met jongerenwerkers die hen verder konden helpen. In de gemeenten is voorlichting gegeven op de plaatselijke Papiamentotalige omroep of met flyers en andere nieuwe communicatietechnieken van de jeugd. Gemeenten hebben contact gezocht met de Antilliaanse gemeenschap ter plaatse. De toegankelijkheid van plaatselijke instellingen voor de Antilliaanse doelgroepen is gestimuleerd en gezocht is naar de structurele inbedding van de Antilliaanse doelgroepen in het lokale sociale beleid.

Op punten als deze konden we spreken van een min of meer effectieve aanpak. Dit was in ieder geval in vijf van de zeven gemeenten het geval, te weten Dordrecht, Den Haag, Den Helder, Groningen en Rotterdam. In twee was dit niet of veel minder het geval. In die beide gemeenten hebben we geen duidelijke beleidsurgentie waargenomen waar het ging om Antilliaanse risicojongeren.

Echter, alle gemeenten zijn geconfronteerd met algemene risicofactoren die een succesvolle aanpak in de weg hebben gestaan. We moesten op de volgende risicofactoren wijzen.

Geen integrale aanpak

Wij moesten constateren dat de muren tussen de verschillende 'werksoorten' van bijvoorbeeld de preventie, de repressie, het jeugdwerk, scholing en werk te hoog bleken te zijn. Er was in de praktijk vrijwel geen integrale en sluitende aanpak. Hiermee bleef het gewenste effect op de integratie van Antilliaanse risicojongeren uit. Op dit punt heeft zich de moeizame ketensamenwerking tussen de uitvoeringspartners gewroken.

Onvoldoende samenwerking met de Antilliaanse gemeenschap

De gemeenten moesten, mede op basis van de subsidievoorwaarden, over hun beleid en over de aanpak overleg voeren met 'de Antilliaanse gemeenschap'. Niet duidelijk was echter waarom dit overleg voor de gemeenten van belang was. Het lag voor de hand dat de gemeenten in de Antilliaanse gemeenschap kennis over en ervaring met de doelgroepen onder de Antilliaanse risicojongeren konden vinden. De Antilliaanse gemeenschap was een evident informeel kenniscentrum. Wij hebben deze benadering gemist bij de gemeentelijke vertegenwoordigers in het overleg. Mede daardoor is de inbreng vanuit de Antilliaanse gemeenschap beperkt gebleven en minder geweest dan mogelijk en wenselijk.

Ontoegankelijkheid van algemene instellingen voor Antilliaanse doelgroepen

De toegankelijkheid van algemene instellingen was op zichzelf een risicofactor. Veel instellingen wisten eigenlijk niet hoe zij hun Antilliaanse risicojongeren moesten aanpakken. Daarom trokken zij met de subsidies tijdelijke Antilliaanse medewerkers aan die de klus wel zouden klaren. Dat was echter een nogal onzekere basis: de medewerkers bleken erg tijdelijk te zijn, mede omdat ze steeds op zoek moesten naar nieuwe klussen. Van een breed toepasbare methodiekontwikkeling was niet of hooguit met mondjesmaat sprake. Een uitzondering vormde het groots opgezette project Ruman Grandi (Grote Broer) van de GG&GD in Rotterdam-Rijnmond, waar een aantal nieuwe Antilliaanse medewerkers in de vaste staf kwam en een methodiekboek geschreven is. Onze aanbeveling was dat de leiding van algemene instellingen niet vroeg genoeg kon beginnen met brede deskundigheidsbevordering en methodiekontwikkeling voor alle medewerkers en niet alleen voor tijdelijke Antilliaanse oproepkrachten. Dit bleek echter, uitzonderingen daargelaten, niet de eerste prioriteit van de leiding van de algemene instellingen.

Versplinterde kennisinfrastructuur

Een laatste risicofactor waarover wij gerapporteerd hebben betrof de versplintering van de kennisinfrastructuur over Antilliaanse risicojongeren in Nederland. Reeds langere tijd zijn er vele kleine bureaus en individuele onderzoekers actief op dit terrein. De kennis die zo verworven is, is niet of nauwelijks gedeeld, verspreid en gecumuleerd. Daarom was er geen en is er nog steeds geen gedegen, beleidsrelevante kennis van bijvoorbeeld de feitelijke aantallen risicojongeren of van good en bad practices, Aan te bevelen is meer coördinatie van het wetenschappelijke onderzoek, het beleidsonderzoek en de methodiekondersteuning op landelijk niveau. Het Rijk heeft in het afgelopen jaar enkele eerste initiatieven in die richting ontplooid in samenwerking met het Kennis- en Informatiecentrum Etnische Minderheden.

Blijvende problemen

Inmiddels gaat het Antillianenbeleid in de gemeenten verder, omdat er nog steeds veel kansarme Antilliaanse risicojongeren zijn en omdat er nog steeds sprake is van overlast en criminaliteit. Dit is het geval in de zeven gemeenten alsook in ten minste veertien andere gemeenten. Het Rijk heeft daarom begin juni 2005 met 21 gemeenten een convenant afgesloten over de aanpak van Antilliaanse risicojongeren in de jaren 2005 tot 2008. Dit keer gaat het om 20.000.000 Euro van het Rijk en eenzelfde bedrag uit de eigen gemeentebegrotingen. Het is de bedoeling om de criminaliteit, de schooluitval en de werkloosheid onder Antilliaanse risicojongeren aanmerkelijk te verminderen.

bron:Doca Bureau's



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: