De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage heeft vandaag uitspraak gedaan in het kort geding dat de Stichting Soelaas en drie individuen die de actiegroep Basis Recht op Veilig Onderwijs vormen, hadden aangespannen tegen de PNVD (Partij voor Naastenliefde, Vrijheid & Diversiteit) en haar bestuur. De voorzieningenrechter heeft alle eiseressen in dit kort geding niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseressen vorderden onder meer om iedere oprichtingshandeling van de PNVD tot aan de verkiezingen in 2011 te verbieden en iedere oprichtingshandeling die al is geschied te vernietigen.
Zij voerden aan dat de PNVD onrechtmatig handelt aangezien de ideeën van deze partij in strijd zijn met de rechten van een grote groep kinderen en het recht op een onbedreigde persoonlijke ontwikkeling. Ook zijn deze ideeën volgens eiseressen in strijd met de artikelen 137c, 239, 240a, 245, 300 en 350 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht en een gevaar voor de maatschappelijke normen en waarden die een democratische samenleving leefbaar maken.
Eiseressen hebben ter zitting verklaard dat hun niet bekend is dat de PNVD strafbare feiten pleegt of oproept tot het plegen van feiten die volgens de huidige wetgeving strafbaar zijn.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vergadering en de vrijheid van vereniging (waartoe ook behoort de vrijheid om een politieke partij op te richten) als grondvesten van de democratische rechtsstaat zijn te beschouwen en dat deze vrijheden ook aan de PNVD toekomen.
Deze fundamentele vrijheden zijn volgens de rechter echter niet onbegrensd. Ook een politieke partij kan grenzen overschrijden. Op grond van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van het openbaar ministerie een rechtspersoon verboden verklaren en ontbinden. Het moet dan gaan om een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde. Ten opzichte van politieke partijen mag de rechter dit criterium echter niet licht aannemen.
Wanneer het verzoek van het openbaar ministerie niet kan worden afgewacht en onmiddellijk onheil dreigt, zou een individuele burger op grond van artikel 2:20 BW wellicht een voorlopige voorziening kunnen vragen, als hij een zeer klemmend en spoedeisend eigen belang heeft. De voorzieningenrechter acht het echter onvoldoende dat een dergelijke vordering wordt ingesteld om uiting te geven aan morele verontwaardiging.

De PNVD en haar bestuur hebben aangevoerd dat eiseressen geen belang hebben bij hun vordering en daarom in hun vordering niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. De voorzieningenrechter dient dit daarom te beoordelen. Zijn conclusie is dat zowel de Stichting Soelaas als de individuele eiseressen, die de actiegroep Basis Recht op Veilig Onderwijs vormen, niet-ontvankelijk zijn in hun vordering.

De Stichting heeft bij dit kort geding gekozen voor de mogelijkheid van de z.g. collectieve actie. Zij wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid die de wet stelt aan een belangenorganisatie die een collectieve actie wil instellen.
Een belangenorganisatie die een collectieve actie wil instellen, dient op te treden ter behartiging van de belangen van andere personen. Deze belangen moeten bovendien behartigd worden ingevolge de statuten van de belangenorganisatie.
De Stichting Soelaas voldoet naar het oordeel van de rechter niet aan deze voorwaarden. Het achterliggend belang van de vordering om de PNVD te verbieden of nietig te verklaren is de bescherming van kinderen en slachtoffers tegen pedofilie. De doelstelling van de Stichting is het doen van onderzoek naar pedofilie. Niet gebleken is dat de Stichting de belangen van kinderen of slachtoffers van pedofilie behartigt.
Ook voldoet de Stichting Soelaas niet aan de voorwaarde voor ontvankelijkheid dat een belangenorganisatie moet hebben geprobeerd het gevorderde te bereiken door het voeren van overleg.

De individuele eiseressen die de vordering mede hebben ingesteld, hebben aangevoerd dat zij deel uitmaken van een groep pedofilieslachtoffers (met inbegrip van hun ouders en sympathisanten). Zij willen uiting geven aan hun verontwaardiging. De wet staat hun echter niet toe om in eigen naam gebaseerd op deze verontwaardiging een vergaand verbod te vorderen. De actiegroep die deze individuele burgers vormen, is geen stichting of vereniging en voldoet daarmee niet aan de voorwaarde om een collectieve actie in te kunnen stellen.
Deze eiseressen, die de actiegroep vormen, worden daarom eveneens niet-ontvankelijk verklaard.
 
Bron: Rechtbank 's-Gravenhage