De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep van twee bedrijven over de afwijzing van een verzoek om planschadevergoeding ongegrond verklaard. Volgens de bedrijven is hun bedrijfspand in waarde verminderd en lijden zij omzetverlies door het plaatsen van een geluidsscherm langs rijksweg A20.

De zichtbaarheid van hun bedrijfspand aan de Ceintuurbaan is geheel of voor een aanzienlijk deel weggevallen.
De gemeenteraad wees het verzoek af omdat op grond van het geldende bestemmingsplan op de strook grond tussen de rijksweg en het bedrijfspand een ander gebouw zou kunnen worden gebouwd met een maximale hoogte van 16 meter. Zo'n gebouw zou het zicht op het bedrijfspand volledig ontnemen zodat geen sprake is van een wijziging van het planologisch regime.
Het gaat er bij het vaststellen van een recht op planschadevergoeding niet om de nieuwe situatie (geluidscherm) te vergelijken met de oude situatie (geen geluidscherm). Het gaat er om te vergelijken met de mogelijkheden in de oude situatie. De gemeenteraad heeft daarbij de juiste verordening gehanteerd.
Dat de NS destijds bij de verhuizing van de bedrijven naar hun huidige locatie zou hebben toegezegd dat er op de strook grond niet gebouwd zou worden is onvoldoende om aan te nemen dat in dit geval een uitzondering moet worden gemaakt.

Het oordeel van de rechtbank dat de gemeenteraad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verlening van de vrijstelling niet heeft geleid tot een planologisch nadeliger situatie voor de bedrijven is dan ook juist.

bron:RvS