Vanaf 1 januari 2007 wordt een begin gemaakt met de invoering van de voor- en naschoolse opvang. Ouders kunnen aanspraak maken op voor- en naschoolse opvang van hun kinderen. Hoe en waar scholen dit (laten) organiseren is aan hen. Met dit uitgangspunt geeft het kabinet uitvoering aan de motie Van Aartsen/Bos die tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen is aangenomen. Dit heeft het kabinet besloten op voorstel van minister Van der Hoeven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en minister De Geus van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De motie wordt in fasen uitgevoerd. Per 1 januari 2006 worden de uitgaven van kinderopvang verhoogd met 200 miljoen euro. Met ingang van 1 augustus 2006 worden de scholen verantwoordelijk voor de tussenschoolse opvang (zogenaamde overblijven) en vanaf 1 januari 2007 start een brede invoering van het recht voor ouders voor het (laten) organiseren van de voor- en naschoolse opvang door de school.
Hoe en waar scholen dit organiseren is aan hen. Dit kan via een samenwerkingsverband met een kinderopvangorganisatie, een brede school of via een organisatie van kinderopvang die buitenschoolse opvang binnen schoolverband gaat regelen. Hiermee krijgen de scholen de verantwoordelijkheid voor het (laten) organiseren en vindt de levering van de voor- en naschoolse opvang plaats door de kinderopvang of op een andere wijze wanneer de school daarvoor kiest. Uiteraard na overleg met de ouders. De kinderopvang is verantwoordelijk voor de kwaliteit. Om de opvang te betalen wordt aangesloten bij de huidige systematiek van de Wet kinderopvang.

Voor de verbetering en professionalisering van de tussenschoolse opvang trekt het kabinet jaarlijks 30 miljoen euro extra uit. Daarnaast wordt in 2006 35 miljoen euro gereserveerd voor de verdere ontwikkeling van de voor- en naschoolse opvang. Vanaf 2007 is hiervoor jaarlijks 27 miljoen extra beschikbaar. Het geld komt uit het budget van 200 miljoen euro dat het kabinet vanaf volgend jaar per jaar extra uitgeeft aan kinderopvang.

bron:OCW