De Haagse rechtbank heeft vandaag een 31-jarige man uit Gouda veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaren voor het verkrachten en vervolgens doden van Mariëlla de Geus op 4 november 2001. De man werd in juli 2005 als verdachte aangehouden. Uit daaropvolgend DNA-onderzoek bleek dat het in en op het lichaam van het slachtoffer aangetroffen sperma van hem afkomstig was.

De rechtbank stelt mede op basis van de verklaring van verdachte vast dat hij seksuele gemeenschap heeft gehad met het slachtoffer en aanwezig was toen zij op de plaats delict (een veldje bij het parkeerterrein aan de Potterspoort te Gouda) om het leven werd gebracht.
De rechtbank hecht geen enkel geloof aan de verklaring van verdachte dat er sprake was van vrijwillige seks met het slachtoffer. Vastgesteld is dat verdachte en het slachtoffer elkaar niet kenden, dat het slachtoffer niet in was voor vluchtige seksuele contacten, en in haar contacten met mannen hechtte aan het gebruik van condooms. De (onbeschermde) seksuele gemeenschap vond bovendien plaats in de koude buitenlucht op een hondenuitlaatplek vlakbij de woning van het slachtoffer. Ook de sporen van geweld die op het slachtoffer zijn aangetroffen en overige forensische bevindingen duiden op een verkrachting.
De rechtbank hecht evenmin geloof aan het verhaal van de verdachte dat er, na het seksuele contact, plotseling een man aan kwam lopen die hem heeft geschopt en geslagen waardoor hij het bewustzijn verloor en, nadat hij weer bij kennis is gekomen, zag dat Mariëlla van het leven was beroofd. Het sporenonderzoek geeft geen enkele aanwijzing dat een ander dan verdachte ter plaatse is geweest. Bij de op verzoek van de verdachte gehouden reconstructie is bovendien gebleken dat zijn verhaal op enkele essentiële punten niet waar kan zijn.

De bewezen verkrachting en doodslag worden juridisch gekwalificeerd als doodslag vergezeld en/of voorafgegaan van verkrachting ('Gekwalificeerde doodslag' als bedoeld in artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht). Dit omdat de aard en de omvang van het geweld dat uiteindelijk tot de dood van het slachtoffer hebben geleid is toegepast met de bedoeling de verkrachting makkelijk te maken en/of straffeloos daarvoor te blijven.

De rechtbank is in het vonnis kritisch over de ondervraging van verdachte door de verhorende verbalisanten, voor zover zij verdachte daarbij hebben misleid door hem bewust valse informatie te geven over de verklaring van een getuige en de inhoud van het sectierapport. De rechtbank acht dit laakbaar, maar verbindt daaraan geen juridische gevolgen omdat verdachte door de verstrekking van de onjuiste informatie niet tot een andere verklaring is gebracht.
Bron: Rechtbank 's-Gravenhage