Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep in de zaak Murat D



De Hoge Raad heeft op 22 november 2005 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen Murat D., die ervan verdacht wordt op 13 januari 2004 als leerling van het Terra College in Den Haag een docent te hebben doodgeschoten. Op 29 april 2004 heeft de rechtbank Den Haag de verdachte veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf en ter beschikking stelling wegens moord en verboden wapenbezit. Op 23 december 2004 heeft het hof Den Haag in hoger beroep voor deze feiten een zelfde straf en maatregel opgelegd.

De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van het hof Den Haag.
Op 4 oktober 2005 heeft advocaat-generaal mr. A.J.M. Machielse in zijn conclusie de Hoge Raad geadviseerd het cassatieberoep te verwerpen.

Namens de verdachte heeft mr. A.M. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, geklaagd over de strafoplegging en de motivering daarvan, met name over de beslissing van het hof om op de verdachte, die ten tijde van het begaan van het feit zestien jaar oud was, het strafrecht voor meerderjarigen toe te passen. Dit terwijl deskundigen hadden geadviseerd om toepassing te geven aan het minderjarigenstrafrecht. Ook zou het hof ten onrechte de oplegging van de TBS met dwangverpleging mede hebben gebaseerd op het rapport van een kinderpsychiater die geen onderzoek zou hebben gedaan naar de vraag of die maatregel ten aanzien van de verdachte wel geïndiceerd was.

De wet bepaalt dat de rechter op een verdachte die de leeftijd van zestien jaren doch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt het strafrecht voor meerderjarigen kan toepassen, indien hij daarvoor grond vindt in de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, of in de persoonlijkheid van de dader. Het Hof heeft hier het strafrecht voor meerderjarigen toegepast. Het Hof heeft daarbij, behalve op de ernst van het feit, ook gelet op de persoonlijkheid van de dader. Het heeft daarbij in zijn beschouwingen betrokken hetgeen de gedragsdeskundigen hebben vastgesteld omtrent de psychische problematiek, de noodzakelijk geachte behandeling daarvan, de te verwachten duur van zoân behandeling en de mogelijkheden die het huidige sanctiestelsel biedt om in een passende behandeling te voorzien.
De Hoge Raad heeft deze overwegingen van het Hof niet onbegrijpelijk geoordeeld.
Bij zijn beslissing om de maatregel van TBS op te leggen, mocht het hof zich mede baseren op het rapport van een kinderpsychiater.

De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 22 november 2005 de namens de verdachte voorgestelde klachten dan ook verworpen. Dit heeft tot gevolg dat de beslissing van het hof om op de verdachte het meerderjarigenstrafrecht toe te passen (en daarbij gevangenisstraf en de maatregel van TBS met dwangverpleging op te leggen) in stand blijft. Met deze uitspraak van de Hoge Raad is de veroordeling van de verdachte onherroepelijk geworden.

bron:Hoge Raad



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: