De Hoge Raad heeft beslist dat onderscheid moet worden gemaakt tussen naturalisatiebesluiten die zijn gegeven voordat de wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap waarop de rechtbank doelt, in werking trad (d.w.z. vóór 1 april 2003) en naturalisatiebesluiten van na die datum. Voor de eerste groep geldt dat een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen, betrokkene - behoudens bijzondere omstandigheden - niet identificeert, en daarom geen rechtsgevolg heeft. Door zo'n naturalisatiebesluit is het Nederlanderschap dus niet verkregen. Er is geen intrekkingsbesluit nodig om het besluit zijn effect te ontnemen. Dit was ook al beslist in de al genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 11 november 2005, die aan de orde is geweest in het debat in de Tweede Kamer over het voormalige Kamerlid Hirsi Ali.

De betrokken persoon, afkomstig uit het voormalige Joegoslavië, heeft in 1993-1996 met gebruikmaking van onjuiste personalia een verblijfsvergunning als vluchteling verzocht en verkregen. In 1999 heeft hij, opnieuw met gebruikmaking van onjuiste personalia, naturalisatie verzocht. Dit verzoek heeft in hetzelfde jaar geleid tot een Koninklijk Besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend.

In 2004 is aan het ministerie van Justitie/Vreemdelingenzaken en Integratie gebleken dat de betrokkene anders heette dan hij in het naturalisatieverzoek had vermeld, en dat de door hem opgegeven geboorteplaats en namen van zijn ouders eveneens onjuist waren. De minister heeft hem vervolgens meegedeeld dat het naturalisatiebesluit geen rechtsgevolg heeft omdat de persoon die in de besluit wordt vermeld een andere persoon is dan betrokkene.
Betrokkene heeft zich daarop gewend tot de rechtbank in Den Haag met het verzoek om vast te stellen dat hij wel degelijk vanaf de datum van het naturalisatiebesluit in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.

De uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen bij uitspraak van 28 april 2005. De rechtbank was van oordeel dat sinds een wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap, die in 2003 in werking is getreden, aan een naturalisatiebesluit slechts de werking kan worden ontnomen door intrekking en dat dit ook geldt wanneer het naturalisatiebesluit berust op valse persoonsgegevens. De rechtbank week hiermee af van eerdere uitspraken van dezelfde rechtbank in vergelijkbare zaken. In een uitspraak van 11 november 2005 (LJN AT7542) heeft de Hoge Raad eveneens anders geoordeeld; deze uitspraak kon de rechtbank uiteraard nog niet kennen toen zij op 28 april 2005 uitspraak deed.

Cassatie bij de Hoge Raad
De Staat heeft tegen de beschikking van de rechtbank cassatieberoep bij de Hoge Raad ingesteld. (Er is dus niet eerst hoger beroep ingesteld, want dat staat de wet in dit soort zaken niet toe.)
In deze procedure treedt voor de Staat op: mr. H.A. Groen, advocaat in Den Haag, en voor de betrokkene: mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat in Den Haag.
Op 20 januari 2006 heeft advocaat-generaal mr. L. Strikwerda in zijn advies aan de Hoge Raad geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad zelf door afwijzing van het door de betrokkene bij de rechtbank ingediende verzoek.

Sinds 1 april 2003 houdt de wet in dat naturalisatiebesluiten in beginsel geldig zijn en hun werking slechts verliezen als zij worden ingetrokken. Intrekking is mogelijk als de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. Deze regeling geldt ook voor naturalisatiebesluiten die zijn verkregen met gebruikmaking van valse of fictieve persoonsgegevens.

De wijzigingswet heeft echter niet geregeld dat naturalisatiebesluiten van vóór 1 april 2003 die rechtsgevolg misten, alsnog rechtsgeldig werden. Het nieuwe regiem geldt dus niet voor die besluiten. Omdat het in deze zaak gaat om een naturalisatiebesluit van vóór 1 april 2003, heeft de rechtbank ten onrechte de nieuwe wet toegepast. De Hoge Raad heeft daarom de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 april 2005 vernietigd. De zaak is ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het hof 's-Gravenhage.

Verdere behandeling
Het zal bij de behandeling door het hof in het bijzonder gaan om de vraag of er in dit geval bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de betrokkene ondanks de onjuiste gegevens die hij bij zijn aanvraag voor naturalisatie had verschaft, voldoende geïdentificeerd was om zijn aanvraag goed te kunnen beoordelen en het nodige onderzoek mogelijk te maken.

bron:Hoge Raad