De nieuwe Nederlandse visie op hoogwaterbestrijding is zeker niet zaligmakend. Het idee dat de veerkracht van het rivierengebied moet worden vergroot, verdient nuancering. Dat stelt ir. Karin de Bruijn, die op dinsdag 11 oktober op dit onderwerp promoveert aan de TU Delft.

Sinds de recente hoogwatersituaties in de grote rivieren (met onder meer de bijna-dijkdoorbraak bij Ochten in 1995), zijn beleidsmakers in Nederland anders gaan denken over hoogwaterbestrijding. De nieuwe strategie is niet louter meer gericht op het verhogen van de dijken maar ook op het vergroten van de veerkracht van het rivierenland. Met veerkracht wordt het vermogen verstaan van een gebied om snel van de gevolgen van overstromingen te herstellen, bijvoorbeeld doordat deze weinig schade veroorzaken. Een bekend voorbeeld van zo'n veerkrachtstrategie is het gebruik van noodoverloopgebieden. Het idee is daarbij om bij extreem hoogwater bewust een aantal vooraf aangewezen gebieden onder te laten stromen om zo de rest van het gebied te ontzien. De Delftse promovenda Karin de Bruijn constateert dat de positieve klank van het begrip 'veerkracht' moet worden genuanceerd. 'Veerkracht moet een middel zijn en geen doel. Het doel van hoogwaterbeheer is het zo optimaal laten functioneren van het door overstromingen bedreigde gebied. Je moet strategieën beoordelen op hun effecten op dat gebied. Je kijkt dan naar kosten, economische mogelijkheden, natuurwaarden en of we geen spijt van onze strategie krijgen als het klimaat of de maatschappij verandert. Je beoordeelt strategieën niet op hun veerkracht'. Extreme veerkrachtstrategieën die momenteel in studie zijn voor de zeer lange termijn, zoals het zogenaamde RivierenLand-idee, vindt De Bruijn niet zinnig. Hierbij worden de dijken in het Rijngebied grotendeels weggehaald en kan de rivier stromen waar hij wil. Deze concepten hebben volgens haar een veel te grote negatieve invloed op de economische mogelijkheden van het gebied. Een kleine stap richting meer veerkracht, zonder daarbij de bescherming tegen overstromingen te sterk te reduceren, is volgens De Bruijn echter wel zinnig. 'Je kunt de schade verminderen en het herstel bespoedigen door efficiënte rampenbestrijdingsplannen, met daarin bijvoorbeeld aandacht voor een goede evacuatie. Bij het opstellen van zo'n plan zou je ook kunnen overwegen om in geval van een afvoer die hoger is dan de dijken kunnen hebben, opzettelijk een gebied onder te laten lopen, zodat de kwetsbaarste gebieden gespaard blijven. Je moet bij dergelijke rampenbestrijdingsplannen echter wel kritisch blijven kijken naar bijvoorbeeld kosten en schadecompensatie.' De plannen voor noodoverloopgebieden in het Rijngebied zoals ze er nu liggen, vindt De Bruijn sowieso niet sterk. 'Men wil deze gebieden nu al gaan inrichten voor een mogelijke overstroming. Dat is erg duur en mijns inziens overdreven.' Naast de Rijn, bestudeerde De Bruijn in haar promotieonderzoek ook de Maas tussen Eijsden en Mook (en de Mekongdelta in Cambodja). Bij de Maas zijn veerkrachtstrategieën volgens de onderzoekster veel meer op hun plaats dan in het Rijngebied. Haaks daarop staat echter de beslissing om na de recente overstromingen langs de Maas kades aan te leggen ter bescherming. Over die aanleg is De Bruijn derhalve kritisch. 'Vanuit de bewoners en de politiek gezien is het wel logisch, maar hier is het kostentechnisch niet erg efficiënt. De gevolgen van een overstroming van de Maas zijn immers relatief beperkt. Juist hier hadden zaken als landgebruiksplanning en ruime schadecompensatie een zinnig alternatief kunnen bieden.'

bron:TU Delft