Het Legermuseum in Delft maakt zich op voor de thuiskomst van de twee befaamde bronzen Benningh-kanonnen, die in 1691 werden geschonken aan de Staten van Holland en West Friesland. Tot 1811 stonden deze versierde pronkkanonnen samen opgesteld in het ammunitiemagazijn, het Armamentarium waarin tegenwoordig het Legermuseum is gehuisvest. In 1811 echter nam keizer Napoleon Bonaparte beide mee als krijgsbuit naar Parijs. Na de verovering van Parijs in 1814 gingen de kanonnen wederom als trofee mee met de overwinnaars, de Pruisen en de Oostenrijkers. Hierdoor werden ze van elkaar gescheiden; het ene kwam terecht in Wenen, het andere in Berlijn, waar vandaan het in 1945 door de Russen werd meegenomen naar St. Petersburg. Daar is het kanon nog steeds in het Artilleriemuseum te zien.

Speciaal voor de tentoonstelling Voor Napoleon, Hollanders in oorlogstijd 1792-1815 komen beide kanonnen weer naar Nederland. Na een lange gescheiden tocht komen ze samen bij het Armamentarium. Op dinsdag 11 oktober zullen ze hier voor het eerst sinds 190 jaar weer herenigd worden. Van 14 oktober t/m 2 april 2006 is dit historische duo - uniek in samen zijn - voor publiek te zien in het Legermuseum in Delft.

Beide pronkkanonnen werden in 1691 vervaardigd door kanongieter Albert Benningh uit Là¼beck. Ze werden gemaakt voor de Staten van Holland en West-Friesland als dank voor verkregen opdrachten. De lopen van de kanonnen zijn identiek aan elkaar en tonen onder meer afbeeldingen van Romeinse goden en wapenschilden van de afgevaardigden van de Staten die belast waren met de opdrachten aan Benningh. Ook het generaliteitswapen van de Verenigde Zeven Provinciën staat erop, met de spreuk Vigilate Deo Confidente (Waakt, op God vertrouwend), die nog steeds op de buitengevel van het Armamentarium te zien is.

Deze twee Benningh-kanonnen behoren tot de mooiste bronzen kanonnen ter wereld. Ze werden in 1691 als pronkstukken opgesteld in het ammunitiemagazijn (thans Legermuseum) te Delft. Toen Keizer Napoleon in 1811 het Armamentarium bezocht, zag hij dit fraaie kanonnenpaar en liet deze als krijgsbuit meenemen naar het Hà´tel des Invalides in Parijs. In 1814 gingen de kanonnen als krijgstrofee mee met de Pruisen en Oostenrijkers. De overwinnaars meenden hiermee de kanonnen - van Duitse makelij - weer terug naar het land van herkomst te hebben gebracht.

Tot 1945 bevonden ze zich in het Zeughaus te Berlijn en het Heeresgeschichtliches Museum te Wenen. Het Duitse exemplaar is na de verovering van Berlijn door de Russen als buit meegenomen naar St. Petersburg. Hier is het opgenomen in de collectie van het Artilleriemuseum. Hoewel vanaf 1913 meerdere pogingen zijn gedaan om de stukken in Nederlands bezit terug te krijgen, zijn ze nog steeds eigendom van de Russische en Oostenrijkse staat.

Ter gelegenheid van de tentoonstelling Voor Napoleon, Hollanders in oorlogstijd 1792-1815 wist het Legermuseum beide kanonnen tijdelijk in bruikleen te krijgen. Het is nu voor het eerst sinds 195 jaar dat beide staaltjes van vakmanschap weer verenigd zullen zijn op de plaats waar ze tussen 1691 en 1811 ook stonden.

bron:Legermuseum