Volgens het Milieu- en Natuurplanbureau is er meer geld, planologische duidelijkheid en bestuurlijke wilskracht nodig om de (inter-)nationale doelen voor natuur en landschap te halen. Ambities en middelen zijn niet in balans.

Volgens het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) legt de voortgaande decentralisatie van het natuur- en landschapsbeleid een zware last op de schouders van provincies.

Dat schrijft het MNP in de Natuurbalans 2005. Het rapport is aangeboden aan minister Veerman (LNV). Hij kondigde aan dat het kabinet dit najaar een reactie naar de Kamer stuurt.

Volgens het MNP zijn er belangrijke stappen gezet in het ruimtelijk beleid en het milieubeleid, maar gaat het vooral om afspraken op papier. De ruimtelijke samenhang en milieucondities zijn onvoldoende om de internationaal gemaakte afspraken over het behoud van biodiversiteit waar te maken.

De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) moet leiden tot meer grote eenheden met aaneengesloten natuur. De Natuurbalans stelt dat er na volledige realisatie in 2018 nog meer moet gebeuren:

In de grote eenheden is planologische duidelijkheid en de krachtige inzet van ruimtelijke instrumenten, waaronder onteigening, nodig om de beoogde natuurkwaliteit te realiseren.
20% van de structuur zal bestaan uit mozaïeken van kleinere natuurgebieden. Daarvan is ook een eenheid te maken. Betere verbindingen moet dan voor meer ruimtelijke samenhang zorgen.
Andere punten in de Natuurbalans zijn:

Natuurbeheer door particuliere en agrarische grondeigenaren draagt niet bij aan de samenhang tussen grote eenheden natuur. Ook zijn er aanwijzingen dat zonder aanvullende inrichtingsmaatregelen de natuurdoelen niet worden gehaald.
Niet alleen de kwaliteit van de natuur, ook die van Nationale Landschappen staat onder druk door verstedelijking, de aanleg van infrastructuur en de schaalvergroting en intensivering in de landbouw. De Nota Ruimte biedt daar volgens het rapport nauwelijks bescherming tegen en zijn er geen plannen voor strengere regels.
Jaarlijks is naar schatting 200 miljoen euro nodig. Rijk en provincies stellen maar ongeveer een tiende ter beschikking. Andere manieren van financieren stuiten op Europese mededingingsregels of komen niet van de grond.
 
bron:MNP