Langer leven in betere gezondheid lost vergrijzingsprobleem niet op



De levensverwachting blijft onverminderd toenemen, terwijl de gezondheid van de oudere bevolking gestaag verbetert: goed nieuws voor al diegenen die lang willen leven in goede gezondheid. Langer leven in goede gezondheid blijkt echter op zichzelf geen oplossing te bieden voor de budgettaire druk die ontstaat door een vergrijzende bevolking.

Gezondheidswinst zonder verlenging van de levensduur is gunstig voor de overheidsfinanciën in Nederland en andere EU-landen: mensen kunnen dan langer blijven doorwerken en de zorgkosten nemen minder toe. Daar staat tegenover dat verlenging van de levensduur zonder gezondheidswinst leidt tot hogere kosten voor de overheid, met name voor de AOW en de AWBZ. In de combinatie vallen winst en verlies goeddeels tegen elkaar weg.

Dit concludeert het Centraal Planbureau (CPB) in de studie Can we afford to live longer in better health?, waarin de gevoeligheid van de toekomstige vergrijzingsuitgaven wordt onderzocht voor alternatieve scenario s voor de verwachte levensduur en de gezondheidstoestand van de bevolking van de EU15. Het CPB-onderzoek is een onderdeel van een bredere studie die in opdracht van de Europese Commissie is uitgevoerd door een groep van Europese economische onderzoeksbureaus.

Eerder vergrijzingsonderzoek
Reeds eerder hebben internationale organisaties als de Europese Commissie en de OESO de betekenis van vergrijzing voor verschillende landen gekwantificeerd. Voor Nederland heeft het CPB dat eerder gedaan in 2000 in de studie Ageing in the Netherlands. In deze eerdere studies wordt veelal uitgegaan van een gelijkblijvende gezondheidstoestand en een afvlakkende toename van de levensverwachting in de komende 50 jaar. Bovendien wordt uitgegaan van een onveranderlijk leeftijdsprofiel van de zorgkosten.
Recent empirisch onderzoek zet vraagtekens bij deze aannames. Allereerst blijken de zorgkosten van ouderen zich sterk te concentreren in de laatste levensjaren; een toenemende levensduur impliceert daardoor een verschuiving van het leeftijdsprofiel van zorgkosten naar hogere leeftijden.
Daarnaast blijkt van een afvlakking van het tempo waarin de levensverwachting toeneemt nog geen sprake te zijn: recente data laten zelfs nog enige versnelling zien. Het is mogelijk dat de afvlakking, die op biologische gronden eens verwacht mag worden, zich later zal manifesteren dan tot nog toe is aangenomen. Voorts is het mogelijk dat de gezondheidstoestand van de bevolking in de komende jaren verder zal verbeteren. Het is interessant na te gaan hoe gevoelig de uitkomsten van de eerdere studies zijn voor alternatieve aannames, die beter rekening houden met deze recente inzichten.

Vergrijzing dwingt tot beleidsaanpassingen
Eerdere studies lieten zien dat de komende vergrijzing van de bevolking aanpassing vereist in de publieke regelingen in een groot aantal landen. De geleidelijke uittreding van de baby-boom generaties, structureel lage geboortecijfers en de toenemende levensverwachting zorgen de komende 50 jaar voor dramatische verschuivingen in de leeftijdsopbouw van de bevolking in veel landen. Het aantal 65-plussers per werkende jongere verdubbelt ruwweg. Zonder beleidsaanpassingen zal deze vergrijzing in de meeste landen tot onhoudbare publieke financiën leiden: budgettaire tekorten zullen sterk toenemen en na verloop van tijd zal daardoor de overheidsschuld tot onaanvaardbare hoogte oplopen.

Drie scenarios
De CPB-studie Can we afford to live longer in better health? presenteert uitkomsten voor drie scenarios: (i) living longer, (ii) living in better health en (iii) living longer in better health. Het derde scenario combineert de uitgangspunten van de eerste twee. Voor elk van de drie scenario s is berekend wat de afwijkingen zijn ten opzichte van een referentiescenario, gebaseerd op ongewijzigde uitgangspunten ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling van gezondheid en levensduur.

1: Levensverwachting blijft onverminderd groeien
In het living longer scenario wordt verondersteld dat de levensverwachting de komende 50 jaar onverminderd doorgroeit. De verwachte levensduur bij geboorte in de EU-15 zal dan in 2050 gemiddeld 86 jaar zijn, in plaats van 83 jaar in het referentiescenario. De budgettaire problematiek verergert daardoor: onder deze aanname resulteert over een periode van vijftig jaar een extra toename van de zorgkosten in Nederland met 1,1% van het bruto binnenlands product (BBP) en van de sociale-zekerheidsuitgaven met 1,7% van het BBP. Om het overheidsbudget houdbaar te maken, moet een bedrag van ruim 7 miljard extra worden omgebogen (1,4% van het BBP). Voor de EU-15 als geheel is het beeld iets gunstiger: de noodzakelijke extra ombuiging bedraagt daar 1% van het gezamenlijke BBP. Om twee redenen zijn de extra kosten van langer leven in Nederland hoger dan elders in Europa: het beroep op sociale zekerheidsvoorzieningen is hier relatief groot, en de uitgaven voor langdurige zorg (AWBZ) zijn hoog in vergelijking met andere EU-landen.

2: Gezondheid verbetert
In het living in better health scenario leidt de veronderstelde verbetering van de gezondheidstoestand tot een 4,5% hogere arbeidsparticipatie, met name als gevolg van een hogere participatie in de leeftijdsgroep 45-64 jaar. Dit zorgt voor hogere premie- en belastingopbrengsten; tevens vermindert het beroep op de sociale-zekerheidsregelingen en de zorgvoorzieningen. Als gevolg hiervan verbetert het beeld voor de overheidsfinanciën in vergelijking met het referentiescenario: over een periode van vijftig jaar nemen in Nederland de zorgkosten met 0,6% van het BBP minder toe, en de sociale-zekerheidsuitgaven met 1% van het BBP. De noodzakelijke ombuigingen zijn 0,8% van het BBP (4 miljard euro) lager. Hetzelfde percentage vinden we voor de EU-15 als geheel.

3: Langer leven in betere gezondheid
De genoemde uitkomsten laten zien dat gezondheidswinst en verlenging van de levensduur een tegengestelde invloed uitoefenen op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. In het combinatiescenario living longer in better health vinden we dan ook een meer bescheiden effect op het overheidsbudget. Voor de EU-15 resulteert per saldo een marginale verslechtering ten opzichte van het referentiescenario: voor een houdbaar budget is 0,1% BBP extra ombuiging vereist. Voor Nederland is het beeld wat ongunstiger: voor een houdbaar budget moet 0,5% BBP (ongeveer 2,5 miljard euro) extra worden omgebogen. De onzekerheden van berekeningen met een horizon van 50 jaar zijn echter groot.

Per saldo nauwelijks verschil ten opzichte van referentiescenario
Eerdere studies hebben laten zien dat de komende vergrijzing een zeer sterke druk op de publieke financiën legt, zodat aanzienlijke ombuigingen noodzakelijk zijn voor een houdbaar overheidsbudget. Een betere gezondheidstoestand verzacht dit probleem omdat mensen daardoor langer actief kunnen zijn en minder beroep zullen doen op gezondheidszorg. Als dit echter gepaard gaat met een langere gemiddelde levensduur verdwijnt de winst weer goeddeels omdat de kosten van sociale uitkeringen en de zorguitgaven daardoor weer zullen toenemen. Voor de publieke financiën zijn we dan ruwweg weer terug bij het vertrekpunt. De ernst van de budgettaire problematiek verandert dan niet wezenlijk.

bron:CPB



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: