Nederland blijkt in vergelijking met de Verenigde Staten, Scandinavië en Groot-Brittannië het enige land te zijn dat met criteria beschrijft welke leerlingen in aanmerking komen voor speciale onderwijszorg in scholen voor regulier of speciaal onderwijs. Dit concluderen Leidse onderzoekers in een onlangs verschenen rapport in opdracht van de Programmacommissie Beleidsgericht Onderzoek Primair Onderwijs (NWO-BOPO).

 

De onderzoekers bestudeerden de wetgeving van Groot-Brittannië, Scandinavië en de Verenigde Staten op het gebied van onderwijs aan kinderen met een handicap. Ze ontdekten dat deze wetgeving voornamelijk uitgaat van de behoefte aan speciale onderwijszorg bij de leerlingen. Gegevens over de manier waarop de best passende zorg wordt bepaald, bleken echter in de wetsteksten te ontbreken.

De nadruk in de buitenlandse wetten ligt erop dat scholen onderwijsbelemmeringen in de beschikbare onderwijsleeromgeving wegnemen voor leerlingen met een beperking. Deze kinderen worden zoveel mogelijk in het reguliere (basis- en voortgezet) onderwijs geplaatst. Dit heet inclusief onderwijs. Het effect van de wetgeving in Nederland is dat de nadruk minder ligt op het streven naar het opvangen van zoveel mogelijk leerlingen in het reguliere onderwijs. Ouders moeten daar zelf voor waken.

Minister Van der Hoeven heeft in Nederland voor de verschillende schoolsoorten drie soorten criteria geformuleerd om een indicatie te kunnen stellen: stoornis, onderwijsbelemmering en ontoereikendheid van reguliere zorgstructuur. Om toegang te krijgen tot het speciaal onderwijs of tot een zogeheten rugzak (leerlinggebonden financiering) in het regulier onderwijs is een indicatie nodig op basis van deze criteria.

Clusters

Onderwijsbeperkingen zijn in deze regeling verdeeld in vier clusters: voor visueel gehandicapten en blinde kinderen; een cluster voor dove en slechthorende kinderen en kinderen met ernstige taal of spraakmoeilijkheden; een cluster voor de groep meervoudig gehandicapte kinderen, langdurig zieke kinderen, lichamelijk gehandicapte kinderen en verstandelijk gehandicapte kinderen; en tenslotte een cluster voor kinderen met gedragsstoornissen, ontwikkelingsstoornissen en psychiatrische problematiek.

Naar aanleiding van de resultaten uit hun literatuurstudie doen de Leidse onderzoekers in het rapport aanbevelingen voor vier verschillende praktijkonderzoeken om te bezien hoe indicatiestelling functioneel te maken is. Het eerste is gericht op verfijning van de bestaande criteria voor indicatiestelling. De andere drie studies bieden inzicht in de meest effectieve aanpak in de onderwijsleeromgeving op reguliere scholen voor basis of voortgezet onderwijs om een leerling met een stoornis optimaal te laten functioneren.

bron:NWO