Het onderzoeksteam dat in opdracht van de hoofdofficier van justitie van het parket Zwolle-Lelystad een oriënterend vooronderzoek heeft verricht naar de zgn. Deventer moordzaak heeft zijn bevindingen en conclusies aan het College van procureurs-generaal aangeboden.Uitgangspunt van het onderzoek is geweest informatie van Maurice de Hond dat genoemde moord gepleegd zou zijn door een andere persoon dan de voor dat feit veroordeelde L. Het doel van het onderzoek was om na te gaan of uit de overgelegde stukken blijkt van relevante feiten en omstandigheden in het opsporingsonderzoek die als ze destijds aan het openbaar ministerie (OM) en de rechter bekend zouden zijn geweest, mogelijk tot een ander oordeel hadden kunnen leiden dan de veroordeling van L.

De overgelegde stukken hadden betrekking op de volgende onderwerpen: de daderwetenschap, het alibi en het motief van de persoon die de moord in de visie van De Hond gepleegd zou hebben, het mes dat hij daarbij gebruikt zou hebben en twee anonieme briefjes die zouden zijn gebruikt om de politie op een dwaalspoor te brengen. Later heeft hij nog een aantal kanttekeningen geplaatst bij het DNA-onderzoek dat in 2003/2004 heeft plaatsgevonden. Op 2 juni 2006 heeft het onderzoeksteam zijn concept-rapport aan het College van procureurs-generaal aangeboden; op 6 juni heeft het College een eerste bespreking aan het concept-rapport gewijd. Het onderzoeksteam heeft vervolgens het concept-rapport op verzoek van het College op enkele onderdelen verduidelijkt en zijn definitieve rapport aan het College aangeboden. Het rapport beslaat met bijlagen plm. 600 pagina’s.

Conclusie onderzoeksteam
De conclusie van het oriënterend vooronderzoek is dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die, als ze destijds aan het OM en de rechter bekend zouden zijn geweest, tot een ander oordeel, dan de veroordeling van L., hadden kunnen leiden. Het team is bij zijn onderzoek uitgegaan van de ten tijde van de start van het onderzoek aangedragen informatie en stukken. Het team had verder de beschikking over alle processtukken uit deze zaak. In opdracht van het team is een aantal aanvullende forensisch-technische onderzoeken verricht, mede in het licht van de nieuwste DNA–wetenschap. Onder meer is een uitgebreid aanvullend DNA-onderzoek gedaan naar sporen die zijn aangetroffen op de blouse die het slachtoffer ten tijde van de moord droeg.

Daarnaast heeft het onderzoeksteam een aantal personen gehoord.
De conclusie van het onderzoeksteam is zowel gebaseerd op het aanvullend DNA-onderzoek als op onderzoek naar de genoemde specifieke onderwerpen die naar een andere dader dan L. zouden wijzen (daderwetenschap, alibi en motief van die veronderstelde andere dader; de twee anonieme briefjes en het mes dat die andere dader volgens De Hond bij de moord zou hebben gebruikt).

Daderwetenschap
Het onderzoek naar daderwetenschap was gericht op de verificatie van beweringen dat die andere persoon al op de hoogte was van de moord en de toedracht daarvan voordat de moord in bredere kring bekend was en voordat hij voor de eerste keer door de politie werd gehoord. Het team concludeert op basis van zijn onderzoek dat deze beweringen niet objectief kunnen worden onderbouwd.

Alibi
Ten aanzien van het alibi van de beweerde dader heeft het onderzoeksteam vastgesteld dat de verklaringen die betrokkene en zijn vriendin destijds hebben afgelegd over hun doen en laten op de avond van de moord, op onderdelen tegenstrijdig waren. Deze tegenstrijdigheden zijn destijds niet onderzocht. De verklaringen die beiden recent hebben afgelegd zijn daarentegen consistent. Deze verklaringen sporen met de gegevens over het onderlinge telefoonverkeer die destijds door de politie zijn verzameld. Het onderzoeksteam wijst er overigens op dat uit het enkele ontbreken van een waterdicht alibi niet de conclusie voortvloeit dat de beweerde dader dus bij de moord betrokken is geweest.

Motief
De aan de onderzoekers aangedragen informatie over een mogelijk motief van de beweerde dader wordt niet bevestigd en deels zelfs tegengesproken door de bevindingen uit het eerdere opsporingsonderzoek. Evenmin zijn thans in het oriënterend vooronderzoek nieuwe feiten of omstandigheden gevonden die een ander licht op dit punt werpen. Bovendien heeft het onderzoeksteam vastgesteld dat voor de hypothese dat de beweerde dader na de moord goederen uit de woning heeft meegenomen, op geen enkele manier objectief steun is te vinden in het strafdossier.

Anonieme briefjes
Ten aanzien van de anonieme briefjes die zijn toegeschreven aan de vriendin van de beweerde dader heeft handschriftvergelijkend onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en de Britse Forensic Science Service (FSS) plaatsgevonden. Het handschrift op de briefjes is vergeleken met het handschrift van de vriendin. Het NFI stelt op basis van dit onderzoek dat deze briefjes waarschijnlijk niet door de vriendin zijn geschreven. Deze conclusie wordt gesteund door de FSS. Het NFI heeft aanbevolen verder onderzoek op dit punt te verrichten met behulp van het handschrift dat de vriendin in 1999 had. Het onderzoeksteam neemt deze aanbeveling in het rapport over.

Het mes
Het NFI heeft verder onderzoek verricht naar het aangenomen verband tussen een mes van het type dat de beweerde dader in zijn bezit zou hebben gehad en bloedsporen op de blouse van het slachtoffer. Dit onderzoek heeft opgeleverd dat het niet aannemelijk is dat het mesvormige spoor op de blouse is veroorzaakt door het lemmet van een mes van dat type. Ten aanzien van het bolletjesvormige bloedsporenpatroon op de blouse concludeert het NFI dat dat niet afkomstig is van het heft van een dergelijk mes.

Aanvullend DNA-onderzoek
In het kader van het oriënterend vooronderzoek heeft een nieuw en uitgebreid DNA-onderzoek plaatsgevonden naar sporen op de blouse van het slachtoffer. In totaal is er nu sprake van elf contactsporen en twee bloedsporen op de blouse die overeenkomen met het DNA-profiel van de veroordeelde L. Dat wil zeggen dat er ten opzichte van het bewijsmateriaal uit 2004 vijf extra contactsporen en een extra bloedspoor zijn aangetroffen die overeenkomen met het DNA-profiel van L. Bij het DNA-onderzoek zijn in de 115 onderzochte sporen op de blouse bovendien geen DNA-profielen van anderen dan het slachtoffer en L. aangetroffen. Het NFI karakteriseert een aantal contactsporen gelet op de grote hoeveelheid daarin aangetroffen DNA-materiaal als greepsporen. Dergelijke sporen passen bij een intensief en delictgerelateerd contact. In totaal negen contactsporen van L. zijn aangetroffen op plaatsen op de blouse waar het slachtoffer letsels zijn toegebracht. Ten aanzien van een van de twee aangetroffen bloedsporen stelt het NFI dat dat bloedspoor op de blouse terechtgekomen is op een wijze waarvoor meer dan oppervlakkig contact nodig is geweest. Deze bevindingen van het NFI ondersteunen de conclusie van het Gerechtshof in Den Bosch in 2004 dat de aangetroffen sporen van L. als delictgerelateerd kunnen worden aangemerkt. Het NFI heeft aanbevolen op een aantal aspecten van het DNA-onderzoek nader onderzoek te laten verrichten. Door middel van dit nadere onderzoek kunnen de bevindingen verder worden onderbouwd en getoetst. Het onderzoeksteam neemt deze aanbeveling in zijn rapport over.De conclusie van het DNA-onderzoek is derhalve dat dit geen enkele indicatie heeft opgeleverd voor de betrokkenheid bij de moord van een andere persoon dan de veroordeelde L. Het DNA-onderzoek heeft daarentegen meer bewijs ten nadele van L. opgeleverd.

Besluit College
Het College onderschrijft de bevindingen en de conclusies alsmede de aanbevelingen van het onderzoeksteam en neemt deze over. Het College stemt ook in met het aanvullend technisch-forensisch onderzoek dat is aanbevolen door het NFI. Dit bestaat uit aanvullend handschriftvergelijkend onderzoek en een aanvullend DNA-onderzoek. De aanvullende onderzoeken dienen ter verdere onderbouwing en toetsing van de thans voorliggende onderzoeksresultaten.Alles overwegende bestaat bij het College geen twijfel aan de juistheid van het rechterlijk oordeel in deze zaak. Het College heeft de advocaat van L. op 12 juni op de hoogte gesteld van de bevindingen van het onderzoeksteam en van de beslissingen die het College naar aanleiding van dat rapport heeft genomen en heeft daarbij het volledige rapport met bijlagen aan de advocaat overhandigd. Het College heeft de advocaat verzocht op korte termijn aan te geven of en zo ja welke forensisch-technische onderzoekshandelingen hij nog wenselijk vindt. Deze wensen zullen dan bij het aanvullend onderzoek worden meegenomen. In de Deventer moordzaak werd op 25 september 1999 een weduwe in Deventer vermoord in haar woning aangetroffen. In verband met deze zaak is de verdachte L. na een herziening en verwijzing door de Hoge Raad onherroepelijk veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf.

     
bron:OM