De rechtbank Amsterdam heeft vanmorgen uitspraak gedaan in de strafzaak tegen R.J. van den B. Van den B. is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren met aftrek van voorarrest wegens oplichting, bedrieglijke bankbreuk, deelname aan het plegen van valsheid in geschrift, overtreding van de Wet toezicht kredietwezen en witwassen. De bewezenverklaarde feiten en de opgelegde straf komen overeen met de eis die de officier van justitie had gevorderd.

 

De rechtbank heeft de strafbare feiten als ernstig gekwalificeerd en overwogen dat verdachte handig heeft ingespeeld op menselijke hebzucht. Hij creëerde van zichzelf het beeld van een solide en betrouwbare belegger. Het publiek werd tot afgifte van geld overgehaald door onwaarschijnlijk hoge rendementen te garanderen en ook uit te keren. De uitgeleende gelden werden anders dan gesuggereerd of beloofd niet belegd, maar in plaats daarvan gebruikt om de virtuele rendementen uit te keren, hoge provisies aan de voor hem werkzame tussenpersonen te betalen, met valutahandel opgelopen verliezen van Intereffect BV te dekken en voor sponsoring.

De rechtbank rekent het van den B. zwaar aan dat hij het publiek heeft bedrogen op een wijze die vergelijkbaar is met praktijken uit de beleggingswereld waartegen hij in zijn boekje over valutahandel juist met nadruk waarschuwde.
Het betoog van Van den B. dat hij gelden had belegd via ene P. is naar het rijk der fabelen verwezen. De rechtbank hecht geen geloof aan het betoog van Van den B. dat hij in staat zou zijn (geweest) om zijn schuldeisers met de opbrengst van beleggingen te kunnen betalen.

Door valse documenten te gebruiken heeft Van den B. getracht de A.F.M., de curator en de failissements-rechtercommissaris te misleiden. Met die documenten moest het bestaan van niet bestaande beleggingen worden aangetoond, aldus de rechtbank.
Er is groot leed berokkend, bijvoorbeeld aan personen die hun oudedagsvoorziening in rook zagen op gaan. Verwijzend naar verslagen van de curator heeft de rechtbank vastgesteld dat de 1440 voorlopig erkende crediteuren met een gezamenlijke vordering van €127.000.000,- nooit volledig zullen kunnen worden bevredigd.

bron:Rechtbank Amsterdam