De Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv) vindt dat het Rijk voorlopig
verantwoordelijk is voor de financiële risico's die gemeenten lopen bij de
uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Deze wet bepaalt dat onder andere huishoudelijke hulp door gemeenten moet worden georganiseerd en gefinancierd. Bij gebrek aan instrumenten kunnen gemeenten echter onvoldoende invloed uitoefenen op beheersing van de uitgaven.

De Raad schrijft dat in een ongevraagd advies aan de minister en staatssecretaris van VWS. In het advies geeft de Raad een reactie op het wetsvoorstel betreffende de Wmo dat op 31 mei jl. bij de Tweede Kamer is ingediend.

De gemeenten worden verantwoordelijk voor samenhangend beleid op het gebied van
maatschappelijke ondersteuning, wonen en welzijn. Zij krijgen daarvoor middelen uit de AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten) van het Rijk. Voor een aantal noodzakelijke voorzieningen, zoals een rolstoel of scootmobiel, wordt een (tijdelijke) gemeentelijke zorgplicht ingevoerd. De Raad is hiervan geen voorstander, omdat de zorgplicht de gemeentelijke beleidsvrijheid aantast. Die vrijheid is juist nodig om lokale zorg op maat te kunnen leveren.

Bovendien vreest de Raad dat de gemeenten mà©à©r aan huishoudelijke zorg zullen moeten uitgeven. In dat geval hebben gemeenten meer financiële armslag nodig.
In het wetsvoorstel is onvoldoende duidelijk hoe gemeenten de noodzakelijke voorzieningen kunnen realiseren op basis van de beschikbare middelen. Bovendien is niets geregeld over een soort basisniveau van voorzieningen, een recht op financiële compensatie voor gemeenten en de verdeling van de middelen over de gemeenten. Om deze onzekerheden en risico's te kunnen opvangen, zijn gemeenten aangewezen op inkomsten uit eigen belastingen. Het lokale belastinggebied is echter zeer beperkt en zou eigenlijk verruimd moeten worden als buffer voor lokale taken als de Wmo. Daarom moet het Rijk voorlopig de financiële risico's dragen van de Wmo.

bron:BZK