Voor de inrichting van het stelsel van werk en inkomen in de toekomst moet Nederland keuzes maken die passen bij de voorkeuren van de bevolking én die zorgen voor voldoende economisch draagvlak. Hoewel Nederland kan leren van ervaringen in andere landen, bieden het  Scandinavische of Angelsaksische model geen pasklare oplossing voor de Nederlandse situatie. Een stelsel dat aansluit bij de Nederlandse behoeften zou solidair, activerend en betaalbaar moeten zijn. Scholing speelt een belangrijke rol om de inzetbaarheid van mensen te vergroten. Bij scholing en reïntegratie is maatwerk vereist om de begeleiding goed te laten aansluiten op de arbeidsmarkt.

Dit staat in de notitie 'Ontwikkelingen en keuzes in het stelsel van werk en inkomen', die
minister de Geus van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft aangeboden aan de Tweede Kamer. De notitie biedt bouwstenen voor een open debat over de toekomst van het stelsel van werk en inkomen. Het stuk beschrijft mogelijke ontwikkelingsrichtingen, zonder een keuze te maken of een voorkeur uit te spreken. De notitie inventariseert op welke punten overeenstemming bestaat, bij welke onderwerpen heldere opties op tafel liggen en welke kwesties nader onderzoek vragen. Daarbij is gebruik gemaakt van eerdere studies van onder meer het Centraal Planbureau, het Sociaal en Cultureel Planbureau, de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling en TNO Arbeid.

Uit onderzoek blijkt dat Nederlanders veel waarde hechten aan solidariteit. Dat voor iedereen een minimuminkomen gegarandeerd is, is belangrijker dan inkomensgelijkheid. Wel krijgt activering meer nadruk: mensen zijn zelf verantwoordelijk om te doen wat nodig is om uit een uitkering te raken. Misbruik wordt niet getolereerd. Verder kenmerkt de Nederlandse samenleving zich door overleg en consensus: stakingen en arbeidsconflicten zijn zeldzaam. Ook een toekomstig stelsel zou harmonieus moeten zijn.

Dat er aanpassingen nodig zijn in het stelsel staat vast: de vergrijzing, technologische
vernieuwingen en globalisering zetten de toekomstbestendigheid van het huidige stelsel onder druk. Over een aantal benodigde wijzigingen bestaat brede overeenstemming. Zo moeten méér mensen aan het werk. Vooral de arbeidsdeelname van vrouwen, ouderen en laaggeschoolden kan omhoog. Ook staat vast dat werknemers zich in de toekomst makkelijker moeten kunnen aanpassen aan veranderingen op de arbeidsmarkt. Baanzekerheid maakt plaats voor werkzekerheid. Dat betekent dat mensen breder inzetbaar moeten zijn en zich voortdurend moeten scholen om bij te blijven.

Op een aantal andere onderwerpen zijn keuzes nodig. Het gaat bijvoorbeeld om de vraag of het stelsel inkomenssteun moet bieden voor een beperkte groep kwetsbare mensen, of een brede basis voor iedereen: gaat het om de garantie van een minimuminkomen of is het belangrijk dat er niet te grote verschillen bestaan tussen inkomensgroepen? En tegen welke risico's moet het stelsel bescherming bieden en welke zaken kunnen mensen naar keuze zelf regelen? Naarmate het stelsel meer afdekt, neemt kans op calculerend gedrag toe en groeit dus de behoefte aan toezicht en sancties, met de bijbehorende toezichtslast en dus ook inbreuk op de privacy van mensen. Een andere afweging is die tussen ontslagbescherming, inkomenszekerheid en scholing: hoe ontstaat meer dynamiek op de arbeidsmarkt, zonder dat mensen buiten de boot vallen? Ingewikkeld is ook de aanpak van de onderkant van de arbeidsmarkt: hoe stimuleer je dat meer laaggeschoolden aan het werk komen? Moeten de loonkosten omlaag of moet het verschil tussen werk en een uitkering
groter worden zodat werken meer loont? Verder moet de combinatie van werken en zorgen
vergemakkelijkt worden. Regelingen moeten vrouwen stimuleren te (blijven) werken,
aantrekkelijk zijn voor werkgevers én het beste bieden aan kinderen. Om ouderen langer aan het werk te houden is bewustwording belangrijk en moet tegelijkertijd de beloning van oudere werknemers in evenwicht zijn met hun productiviteit.

De notitie agendeert verder een aantal thema's voor nader onderzoek. Het gaat onder meer om de vraag hoe de kosten voor een bedrijf bij ontslag van werknemers eruit moeten zien, op welke manier het beste in kinderen geïnvesteerd kan worden, zodat problemen op latere leeftijd worden voorkomen, wat de beste manier is om mensen te stimuleren een leven lang te leren en in hoeverre mensen zelf kunnen sparen voor hun eigen sociale voorzieningen.

bron:SZW