Verdachte van moord op Doetinchemse advocaat veroordeeld tot 12 jaar



Het gerechtshof in Arnhem heeft ook in hoger beroep bewezen geacht dat de verdachte P. P. zich op 3 juni 2004 heeft schuldig gemaakt aan moord op de Doetinchemse advocaat M. Pul. Verdachte heeft met een dolk het slachtoffer onverhoeds diepe steekwonden toegebracht, die de dood van het slachtoffer tot gevolg hebben gehad. De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld tot een celstraf van 12 jaar.

Dat er sprake is geweest van voorbedachte rade en daarmee moord acht het hof bewezen op grond van de volgende omstandigheden: in de uren voorafgaand aan het fatale treffen op het kantoor van de advocaat heeft de verdachte de gedachte gehad om de heer Pul met een mes te doden. Na schooltijd heeft hij in een dumpzaak een dolk gekocht. âs Middags is hij met dat mes naar het kantoor van het slachtoffer gegaan. Daar heeft hij een gesprek gehad met het slachtoffer, die als advocaat optrad in de scheidingsprocedure van zijn ouders. Bij het beëindigen van het gesprek heeft hij gezegd dat hij een brief wilde achterlaten voor zijn moeder. Daarna is hij even weggegaan om het mes achter zijn broekband te steken, zodat het gemakkelijker te grijpen was, is weer de trap opgegaan, en heeft het slachtoffer in de buik, de schouder en de borst gestoken. Het hof acht aldus bewezen dat verdachte niet in een opwelling heeft gehandeld maar dat hij zich tevoren heeft afgevraagd of hij tot dodelijk geweld zou overgaan.

Het beroep van de verdediging op psychische overmacht heeft het hof verworpen. Weliswaar neemt het hof aan dat verdachte tot zijn daad is gekomen doordat hij sterk begaan was met zijn vader, die - zo beleefde verdachte het - mede door toedoen van het slachtoffer als advocaat van zijn moeder ernstig in de knel dreigde te raken. Het hof acht het echter geenszins aannemelijk dat verdachte heeft blootgestaan aan een drang waaraan hij geen weerstand kon en behoefde te bieden.

Overwegingen met betrekking tot de opgelegde straf Het bewezen verklaarde misdrijf acht het hof een feit van uitzonderlijke ernst. Verdachte heeft een mens gedood om geen andere reden dan dat deze zijn plicht deed: hij adviseerde en correspondeerde als advocaat namens zijn cliënte, de moeder van verdachte, op een wijze die op geen enkele wijze was af te keuren. De wijze waarop de moord werd gepleegd, was laf. Verdachte viel het ongewapende slachtoffer onverhoeds aan met een dolk. Het feit heeft een grote schok teweeggebracht voor de echtgenote en twee jonge kinderen, maar ook in de werkomgeving van het slachtoffer en de rechtsorde in ruimer verband. Alleen al uit vergelding is een langdurige vrijheidsstraf te rechtvaardigen.

Verdachte heeft geweigerd aan een gedragskundig onderzoek in het Pieter Baan Centrum mee te werken zodat het hof maar in beperkte mate een beeld van de persoonlijkheid van verdachte heeft kunnen vormen. De vraag blijft, of een behandeling ter voorkoming van recidive niet geboden is. Het hof moet er echter van uitgaan dat het bewezen verklaarde feit volledig aan verdachte dient te worden toegerekend.

Anderzijds heeft het hof sterker dan de rechtbank rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte, die pas 18 jaar was tijdens het plegen van het delict, en zijn vrijwel blanco strafblad. Ook heeft het hof rekening gehouden met het feit dat verdachte zich heeft laten meesleuren door de gebeurtenissen rond de scheiding van zijn ouders. Door die gebeurtenissen is verdachte onder een zware psychische belasting komen te staan.

Dit alles heeft het hof gebracht tot oplegging van een gevangenisstraf van twaalf jaar met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de vordering van de nabestaanden tot betaling van de begrafeniskosten van het slachtoffer toegewezen.

bron:Gerechtshof Arnhem

 
 



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: