Verzoeken tot opheffing voorlopige hechtenis verdachten Hofstadgroep afgewezen



De rechtbank Rotterdam heeft vandaag de verzoeken tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis en onmiddellijke invrijheidstelling die woensdag 27 juli zijn gedaan tijdens de derde pro forma-zitting in de zaken tegen de verdachten die deel zouden uitmaken van de zogenoemde Hofstadgroep, afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat er op dit moment ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten voldoende ernstige bezwaren aanwezig zijn. Dit geldt in de strafzaken tegen alle verdachten die zich op dit moment in voorlopige hechtenis bevinden.
De gronden die hebben geleid tot het bevel tot voorlopige hechtenis zijn volgens de rechtbank onverkort aanwezig.

De rechtbank heeft hierbij het volgende overwogen:

"Ook in dit stadium van de behandeling ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of er op basis van het thans beschikbare dossier dusdanig ernstige bezwaren tegen verdachten bestaan dat voortduring van de voorlopige hechtenis gerechtvaardigd is. Die bezwaren dienen sterker te zijn naar mate de voorlopige hechtenis langer voortduurt. Maar ook nu gaat het er niet om of hetgeen aan verdachten thans verweten wordt wettig en overtuigend bewezen is. Die beslissing valt pas aan het eind van de inhoudelijke behandeling op basis van een definitieve tenlastelegging en een compleet strafdossier. Aan een bewezenverklaring worden hogere eisen gesteld dan aan het aannemen van ernstige bezwaren voor het voortduren van de voorlopige hechtenis.

De rechtbank is van oordeel dat er op dit moment ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten voldoende ernstige bezwaren aanwezig zijn. Dit geldt in de strafzaken tegen alle verdachten die zich thans in voorlopige hechtenis bevinden.

Aangaande de ernstige bezwaren met betrekking tot de tenlastegelegde deelname aan een criminele organisatie (met terroristisch oogmerk) overweegt de rechtbank in het bijzonder het navolgende. Het thans beschikbare dossier bevat aanwijzingen dat:
* alle verdachten (bijna) alle medeverdachten kennen en onderling min of meer regelmatig contact met elkaar hadden;
* alle verdachten â de een vaker dan de ander â bijeenkomsten hebben bijgewoond in de woning van de (thans hiervoor nog niet terechtstaande) medeverdachte B.;

* de op deze bijeenkomsten aanwezigen werden onderwezen in een geloofsleer die het plegen van geweld tegen ongelovigen/andersdenkenden rechtvaardigt;

* tijdens deze bijeenkomsten ook werd gesproken over geschriften waarin het plegen van gewelds- en levensdelicten wordt gerechtvaardigd en daartoe zelfs wordt opgeroepen;
* tijdens deze bijeenkomsten werd gekeken naar extreem gewelddadig en geweld verheerlijkend beeldmateriaal (zoals filmpjes van onthoofdingen);

* de meeste verdachten eerder genoemde geschriften, al dan niet in digitale vorm, voorhanden hebben gehad;

* deze geschriften onder/tussen verdachten werden verspreid en/of uitgewisseld;

* een of meer verdachten geprobeerd heeft/hebben anderen te ronselen voor deelname aan de zogenoemde 'gewelddadige jihad';
* enkele verdachten (B., Jason W. en A.) daadwerkelijk (extreem) gewelddadige handelingen hebben gepleegd waartoe zij zich geroepen voelden vanwege de door hen aangehangen geloofsleer (zoals de moord op Theo van Gogh op 2 november 2004 en het geweld tegen politieambtenaren in en rondom de woning in de Antheunisstraat te Den Haag op 10 november 2004).

De rechtbank komt op grond van deze aanwijzingen â in onderling verband en samenhang bezien â tot het oordeel dat er thans ten aanzien van alle verdachten voldoende ernstige bezwaren zijn dat zij hebben deelgenomen aan een criminele organisatie (eventueel met terroristisch oogmerk).

De rechtbank is van oordeel dat de gronden die hebben geleid tot het bevel tot voorlopige hechtenis onverkort aanwezig zijn. De gedane verzoeken tot opheffing van de voorlopige hechtenis en onmiddellijke invrijheidsstelling wijst de rechtbank dan ook af.

De rechtbank is niet gebleken van termen op grond waarvan de voorlopige hechtenis dient te worden geschorst."

De volgende zitting in deze zaken zal plaatsvinden op 20 september 2005. Ook deze zitting zal pro forma zijn. De zaken zullen nog niet inhoudelijk worden behandeld.

De meervoudige strafkamer van de Rotterdamse rechtbank die deze zaken behandelt, is in het kader van de landelijke verdeling van mega-zaken samengesteld uit rechters van de rechtbank âs-Gravenhage.

bron:Rechtbank Den Haag



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: