Advies Onderwijsraad juridisch niet sluitend



Scholen en gemeenten zijn op zoek naar mogelijkheden om segregatie in het onderwijs en achterstanden bij leerlingen tegen te gaan. De Onderwijsraad probeert in het advies Bakens voor spreiding en integratie deze zaken te koppelen. In het advies staan zinnige beschouwingen over het tegengaan van segregatie en achterstand. Maar om effectief beleid te ontwikkelen en discriminatie van individuele leerlingen en ouders te voorkomen moeten er heldere en duidelijke keuzes worden gemaakt. Daarin schiet het rapport naar mening van het Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie(LBR) tekort.

De Onderwijsraad maakt zonder voorbehoud duidelijk dat het maken van direct onderscheid op grond van afkomst of etniciteit juridisch onhoudbaar is, ook wanneer het gaat om maatregelen die bedoeld zijn om onderwijssegregatie tegen te gaan.

De Onderwijsraad prijst om die reden terecht maatregelen aan die gericht zijn op het ondersteunen van vrijwillige initiatieven van allochtone én autochtone ouders die hun kinderen gezamenlijk op een witte, respectievelijk zwarte, school aanmelden. Ook het investeren in kwaliteit van de scholen en in voorlichting van ouders over de scholen kan er zeer wel toe leiden dat ouders (zonder dwang) voor een andere school zullen kiezen. Juist het dwingen van ouders om voor een bepaalde school te kiezen kan leiden tot het versterken van de witte vlucht naar een gemeente waar geen dergelijke dwang is. Goed is ook dat de Onderwijsraad pleit voor het stoppen van de groei van witte scholen, en voor een inperking van wachtlijsten door het instellen van een minimumleeftijd waarop leerlingen ingeschreven kunnen worden. Het is jammer dat de Onderwijsraad het LBR-advies voor een maximum hoogte van schoolgelden niet heeft overgenomen.

De Onderwijsraad wijst direct onderscheid op grond van afkomst of etniciteit af maar ziet wel mogelijkheden voor het spreiden van leerlingen, autochtoon én allochtoon, op basis van (taal)achterstand. De raad stelt hierbij overigens nadrukkelijk dat hiervoor eerst een wettelijk kader geschapen zal moeten worden.

Het LBR vindt het zinvol om het belangrijke criterium van onderwijsachterstand in de discussie te betrekken, maar plaatst vraagtekens bij de wijze waarop de Onderwijsraad dat doet. Zo worden factoren die voor het tegengaan van onderwijsachterstand vele malen belangrijker zijn dan de samenstelling van de klas niet genoemd. Daarnaast doet de manier waarop de Raad spreiding op grond van achterstand wil uitvoeren, namelijk op basis van de huidige gewichtenregeling, onvoldoende recht aan de individuele kwaliteiten van leerlingen en de gezinnen waaruit zij afkomstig zijn.

Indirect onderscheid
Het tegengaan van segregatie en het bestrijden van achterstanden worden beiden door het LBR erkend als een legitiem doel. Het spreiden van leerlingen op grond van (taal)achterstand zoals voorgesteld door de Onderwijsraad leidt tot indirect onderscheid. De maatregel treft namelijk met name allochtonen, omdat in de huidige gewichtenregeling (op basis waarvan achterstand wordt vastgesteld) onderscheid wordt gemaakt naar etniciteit.

Het maken van indirect onderscheid is mogelijk, mits er een objectieve rechtvaardiging is. In andere woorden: de maatregel moet samenhangen met een legitiem doel, en de maatregel moet passend en noodzakelijk zijn. Dit geldt echter niet voor de maatregelen die in het advies van de Onderwijsraad genoemd worden. De maatregelen hebben immers achterstandsbestrijding als doel, terwijl de Onderwijsraad de rechtvaardiging vindt in de plicht om segregatie tegen te gaan. Bovendien is het tegengaan van segregatie niet genoeg om achterstand te bestrijden.

De Onderwijsraad geeft zelf in het rapport aan dat er weinig onderzoek is dat aantoont dat bepaalde spreidingsmaatregelen een bijdrage leveren aan integratie of aan het verbeteren van onderwijsprestaties van minderheden en achterstandsleerlingen. Het is daarom jammer dat de Raad geen aandacht heeft voor factoren die wel aantoonbaar invloed hebben op de onderwijsontwikkeling van leerlingen. Het gaat dan bijvoorbeeld om zaken als de kwaliteit en het gemotiveerd zijn van directie en leraren, bepaalde (taal)lesmethodes die goede resultaten bereiken en de grootte van de klassen. Door zich met name te richten op begrippen die verwijzen naar etniciteit, komt naar voren dat de eigenlijke doelstelling van het beleid niet achterstandsbestrijding is maar een integratie c.q. desegregatiebeleid is en daarom kan dit niet als objectieve rechtvaardiging gebruikt worden.

Daarnaast zijn er ook nog mechanismen in het onderwijs werkzaam die bijdragen aan segregatie, zoals bijvoorbeeld hoge ouderbijdragen, en wachtlijsten op witte scholen door vroege inschrijvingen. Het is pas mogelijk om maatregelen te treffen die tot (indirect) onderscheid leiden, als is aangetoond dat de maatregelen die niet tot (indirect) onderscheid leiden, geen effect hebben.

Het LBR is gematigd positief over het advies van de Onderwijsraad. De Onderwijsraad heeft bevestigd dat het maken van direct onderscheid op grond van afkomst juridisch niet houdbaar is en noemt alternatieve maatregelen waarbij geen onderscheid gemaakt wordt. Wel houdt de Raad de mogelijkheid open om te spreiden op basis van (taal)achterstanden omdat hier een objectieve rechtvaardiging voor zou bestaan. Volgens het LBR leidt de opzet van de Onderwijsraad tot indirect onderscheid waarvoor geen objectieve rechtvaardiging gevonden kan worden. Het LBR pleit dan ook voor het tegengaan van segregatie door beleid te ontwikkelen dat vooral gericht is op inschrijfleeftijd en ouderbijdragen: beleid waarbij geen onderscheid gemaakt wordt.

bron:LBR



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: