Afgraven uiterwaardplassen is aanslag op biodiversiteit



Wanneer bij het afgraven van de uiterwaarden geen rekening wordt gehouden met oude plassen, zal dit ten koste gaan van de soortenrijkdom in het rivierengebied. Door oude plassen te handhaven en tegelijk ondiepe plassen te creëren, kan de biodiversiteit zich juist uitbreiden met nu nog bedreigde plantensoorten. Dat concludeert onderzoeker Gerben van Geest die vandaag, 29 april, aan Wageningen Universiteit promoveert.

Om de rivieren in Nederland de ruimte te geven heeft de Nederlandse overheid het voornemen om een deel van de uiterwaarden met één tot twee meter te verlagen. Daardoor stijgt de afvoercapaciteit van de rivieren die samen met maatregelen als nevengeulen en het verlagen van veerdammen, de komende decennia soelaas moeten bieden voor een stijgende winterafvoer. De afgravingen moeten na enkele decennia worden herhaald omdat in die periode de uiterwaarden weer opslibben.

Het nadeel van het periodiek na enkele decennia afgraven van de uiterwaarden is dat natuurontwikkeling geen kans krijgt om soortenrijke vegetatietypen, met bijvoorbeeld waterlelies, te laten ontstaan. De ontwikkeling hiervan kan honderd tot tweehonderd jaar duren. Van Geest adviseert dan ook om de uiterwaarden niet overal af te graven. Een deel van de oude, bestaande plassen moet worden gehandhaafd, omdat die het soortenrijkst zijn. Ze bestaan uit oevervegetaties (riet, lisdodde), ondergedoken waterplanten (circa dertig soorten, met name verschillende fonteinkruiden) en drijvende vegetaties (zoals gele plomp en waterlelie). Op deze manier zal een gevarieerdere natuur ontstaan met langetermijn-ontwikkelingsmogelijkheden.

Door het verlagen van de uiterwaarden zullen deze gebieden vaker en langduriger overstromen. Veel soorten waterplanten zijn echter slecht bestand tegen overstromingen met het troebele rivierwater. Tijdelijke droogval daarentegen heeft vaak juist een gunstig effect op waterplanten. Daarom adviseert aquatisch bioloog Gerben van Geest om in de afgegraven uiterwaarden ondiepe, zomers droogvallende plassen van ca. één meter diepte aan te leggen. Daarin kunnen zich kranswieren, die in Nederland nu zeldzaam zijn, ontwikkelen. Vooral de internationaal bedreigde boomglanswieren kunnen een come back maken.

Uit het promotieonderzoek van de leerstoelgroep Aquatische ecologie en waterkwaliteitsbeheer van Wageningen Universiteit dat werd uitgevoerd in samenwerking met het RIZA, blijkt ook dat stuwen negatief werken op de soortenrijkdom. In de gestuwde Neder-Rijn zorgt het gebrek aan fluctuaties in de waterstand voor een lagere soortenrijkdom en een sterke groei van de exoot smalle waterpest.

bron:Landbouwuniversiteit Wageningen



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: