Op dinsdag 28 november diende, bij de
rechtbank Arnhem, de zaak tegen een 31-jarige man uit Den Haag. Het
OM had hem gedagvaard op verdenking van poging doodslag (op een
agent), poging inbraak en (opzet-)heling. 12 december heeft de
rechtbank uitspraak gedaan in deze zaak. Op dezelfde dag heeft de
Officier van Justitie hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak. Op
4 mei 2006 wilde een politieman in burger een verdachte van inbraak
de binnenstand van Culemborg aanhouden.

De verdachte is naar een gereedstaande
auto gerend om te ontkomen aan aanhouding door de hem per fiets
achtervolgende politieman. Kort nadat de verdachte in de auto was
gestapt, kwam de politieman bij die auto, legde zijn fiets voor de
auto en stelde zich op achter die fiets. Over hetgeen vervolgens
heeft plaatsgevonden lopen de meningen uiteen. De politieman heeft
verklaard dat de inbreker op hem is ingereden waarna hij uit
zelfverdediging op de auto heeft geschoten. De inbreker heeft
verklaard dat de politieman op hem is gaan schieten waarna hij uit
zelfverdediging is weggereden. Vast is komen te staan dat de
inbreker door een kogel in zijn bovenarm is getroffen en dat de
politieman door de wegrijdende auto omver is gereden en daardoor
gewond is geraakt.

Vanwege het vuurwapengebruik door de
politieman heeft de rijksrecherche een onderzoek ingesteld. De
resultaten van dit onderzoek hebben het Openbaar Ministerie eerder
dit jaar aanleiding gegeven om te beslissen dat de politieman
gerechtigd was om zijn vuurwapen te gebruiken aangezien hij op dat
moment verkeerde in een zgn. noodweer-situatie. Dit standpunt ligt
in lijn met het standpunt dat het Openbaar Ministerie heeft
ingenomen tijdens de strafzaak tegen de verdachte.

De Officier van Justitie eiste tegen de
laatste een gevangenisstraf van 4 jaar terzake van poging doodslag
op de politieman, (poging) inbraak en (opzet)heling. Op 12 december
jl. heeft de rechtbank uitspraak gedaan. Daarin stelt de rechtbank
zich op het standpunt dat niet is komen vast te staan of de visie
van de politieman of die van de inbreker de waarheid weergeeft en
dat zij daarom in het voordeel van de inbreker van diens verklaring
zal uitgaan. Deze gedachtegang brengt de rechtbank vervolgens tot
het oordeel dat het inrijden op c.q. het aanrijden van de
politieman niet strafbaar is omdat de inbreker op dat moment
handelde uit zelfverdediging tegen de op hem schietende politieman.
Om die reden is de inbreker voor dit feit ontslagen van alle
rechtsvervolging. Wel werd hem een gevangenisstraf opgelegd voor de
duur van 4 maanden terzake de (poging tot) inbraak en het bezit van
een gestolen auto.

bron:OM