Baby’s in tropisch Afrika al na drie maanden achterop



Kinderen in ontwikkelingslanden groeien na drie maanden minder voorspoedig dan hun leeftijdsgenootjes elders. Mogelijk wordt de kiem daarvoor al rond de geboorte gelegd. Dat concludeert kinderarts Jeltje van der Mei na onderzoek onder duizenden kinderen in Ghana. Eenvoudige middelen, zoals zelfgetimmerde houten couveuses, kunnen de overlevingskansen van kwetsbare baby's wel verbeteren. Van der Mei promoveert op 18 mei op 77-jarige leeftijd aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Van der Mei werkte van 1962 tot 1989 als kinderarts in het Agogo Presbyterian Hospital in het Ashanti-Akim-district in Ghana. Ze was daar onder meer verantwoordelijk voor de zorg voor zieke en gezonde kinderen in het ziekenhuis en drie mobiele `Under Fives' Clinics'. Ze verzamelde 18 jaar lang de gegevens van alle 18.859 kinderen die op de kinderafdeling verbleven. Daarnaast bracht ze de groei van gezonde kinderen uit het district in kaart. Haar onderzoek is een van de eerste integrale studies naar de groei, ziekte en sterfte van kinderen in tropisch Afrika.

Ghanese kinderen blijken alleen in de eerste drie levensmaanden goed te groeien. De promovendus schrijft dit toe aan het overvloedige aanbod van borstvoeding. Vóór de geboorte en na drie maanden loopt de groei echter achter op de standaard van de
Wereldgezondheidsorganisatie. De meeste Agogo-kinderen zijn na 18 jaar dan ook te klein en te licht voor hun leeftijd. Van der Mei vermoedt dat de voedingstoestand rond de geboorte verantwoordelijk is voor deze ongunstige groeicurve. Door ondervoeding zou de stofwisseling al vanaf het begin anders zijn afgesteld.

Sinds de jaren zestig is de sterfte door ziekte gestadig afgenomen. Wel overlijden meer kinderen door ernstige ondervoeding. De sterfte door kwashiorkor (een aandoening door een langdurig tekort aan essentiële voedingsfactoren) is zelfs verdubbeld. `Dit komt waarschijnlijk door de slechtere sociaal-economische omstandigheden,' zegt Van der Mei. `Ghana kende in de jaren tachtig perioden van grote droogte. Een andere factor is dat jonge moeders steeds vaker terugkeren naar de schoolbanken of gaan werken in de stad. De baby wordt dan zolang ondergebracht bij familie. Maar die kunnen vaak geen borstvoeding geven. Veel kinderen verkeren daardoor in een deplorabele toestand. De tragiek is dat deze moeders juist uit huis gaan om hun kind een betere toekomst te geven.'

Ongeveer 5,5 procent van de kinderen in het Agogo-district weegt bij de geboorte minder dan 2 kilo. Ruim een kwart van hen overlijdt kort na de geboorte. De zorg voor deze groep kinderen is kostbaar en vormt een zware economische last voor arme landen als Ghana. Van der Mei laat zien dat kinderartsen ook met eenvoudige middelen de overlevingskansen kunnen verbeteren. Ze liet bijvoorbeeld ter plekke houten couveuses timmeren en droeg de zorg aan de pasgeborenen over aan laag maar doelgericht opgeleide `mothercraftnurses'. Ook hielpen moeders mee bij het verzorgen van hun kinderen. Uit het vervolgonderzoek blijkt dat kinderen dankzij deze ingrepen een betere kans op overleven hebben, mits ze het eerste jaar doorkomen.

Opmerkelijk is dat veel ziekten seizoensgebonden zijn. Het vóórkomen van de belangrijkste ziekten volgt daardoor elk jaar een vast patroon. `Virusinfecties kwamen bijvoorbeeld vooral voor in het droge seizoen, wanneer het werk op het land minder intensief en tijdrovend is, en meer sociale festiviteiten en begrafenissen plaatsvinden,' aldus Van der Mei. De jeugdgezondheidszorg in tropisch Afrika kan haar bedrijfsvoering zo beter afstemmen op de jaarlijkse cycli.

bron:Rijksuniversiteit Groningen



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: