Selecteer een pagina

Het College van Beroep voor het
bedrijfsleven is van oordeel dat de toelating van
bestrijdingsmiddelen op grond van artikel 25d Bmw en de
vrijstellingsregeling van artikel 16aa Bmw in strijd is met het
Europese recht. Het College komt tot dit oordeel in twee uitspraken
op beroepen van de Zuid-Hollandse Milieufederatie en Stichting
Natuur en Milieu tegen besluiten van respectievelijk de Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het College voor de
toelating van bestrijdingsmiddelen (Ctb).

In artikel 25d Bmw is bepaald dat een
bestrijdingsmiddel, waarvan de werkzame stof of stoffen door het
Ctb zijn aangewezen, van rechtswege is toegelaten of geregistreerd.
Bij de aanwijzing van een werkzame stof wordt rekening gehouden met
de effecten van de betrokken werkzame stof.

In artikel 16aa Bmw is bepaald dat de
Minister, wanneer de belangen van de landbouw zulks dringend
vereisen, vrijstelling of ontheffing kan verlenen van onder meer
het verbod een bestrijdingsmiddel af te leveren, voorhanden of in
voorraad te hebben of in Nederland te brengen of te gebruiken.

Het College geeft in deze uitspraken
toepassing aan twee arresten van het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen (C-316/04 van 10 november 2005 en C-138/05
van 14 september 2006), waarin naar aanleiding van
prejudiciële vragen van het College de Biocidenrichtlijn
98/8/EG en de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn 91/414/EEG worden
geïnterpreteerd.

Uit de arresten van het Hof van Justitie
blijkt onder meer dat de overgangsbepalingen van de
Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn (artikel 8 lid 2) en de
Biocidenrichtlijn (artikel 16 lid 1) dezelfde betekenis hebben en
geen standstillverplichting bevatten. Dat wil zeggen dat de
nationale autoriteiten van de lidstaten hun nationale regelgeving
mogen wijzigen. Deze wijzigingen mogen echter niet zo ver gaan dat
daarmee de verwezenlijking van het door de richtlijnen
voorgeschreven resultaat (onder andere het beschermen van de
gezondheid van mens en dier en het milieu) ernstig in gevaar wordt
gebracht.

In zijn arrest van 14 september 2006
preciseert het Hof dat lidstaten, gedurende de overgangsperiode hun
regelgeving niet zodanig mogen wijzigen dat een binnen de
werkingssfeer van het overgangsrechtelijk artikel vallend middel
zou kunnen worden toegelaten zonder dat naar behoren rekening is
gehouden met effecten van dat middel op de gezondheid van mens en
dier en milieu.

Met toepassing van deze arresten van het
Hof van Justitie heeft het College bij uitspraken van 4 mei 2007
geoordeeld dat de nationale bepaling die ziet op het van rechtswege
toelaten van werkzame stoffen en de nationale bepaling die ziet op
de vrijstelling niet in overeenstemming zijn met het overgangsrecht
van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn en de
Biocidenrichtlijn.

Het College overweegt in beide uitspraken
dat, zoals de nationale bepalingen thans luiden, niet is
uitgesloten dat een bestrijdingsmiddel wordt toegelaten zonder dat
naar behoren rekening is gehouden met de effecten die dat middel
heeft op de gezondheid van mens en dier en milieu. Immers, in deze
nationale bepalingen is geen voorschrift opgenomen dat waarborgt
dat met deze effecten naar behoren rekening wordt gehouden. Op deze
manier wordt de verwezenlijking van het resultaat van de
Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn en de Biocidenrichtlijn ernstig
in gevaar gebracht. Daarvan heeft het Hof juist geoordeeld dat dat
niet kan.

Bron: College van Beroep voor het
bedrijfsleven