Cassatieberoep verworpen in de zaak rond het Anne Frankplantsoen in Eindhoven



De verdachte in deze zaak is door het hof
’s-Hertogenbosch op 19 juli 2005 (zie rechtspraak.nl, LJN
AT9538) vrijgesproken van poging tot zware mishandeling door het
hebben van onbeschermde seksuele contacten waardoor het HIV-virus
kon worden overgedragen. Hij is wel veroordeeld wegens - kort
gezegd - seksuele contacten met jongeren tussen de 12 en 16 jaar en
wegens jeugdprostitutie (art. 248b Wetboek van Strafrecht).

Het cassatieberoep bij de Hoge Raad.

De verdachte heeft tegen deze veroordeling
beroep in cassatie ingesteld.Het cassatieberoep is namens verdachte
ingesteld door zijn advocaat mr. G.J.J. Knoops.

Op 9 januari 2007 heeft advocaat-generaal
mr. W.H. Vellinga in zijn advies aan de Hoge Raad, “de
conclusie”, de tien namens de verdachte voorgestelde middelen
(klachten) die in de cassatieschriftuur zijn aangevoerd tegen de
beslissing van het hof, besproken. Hij heeft deze alle ongegrond
bevonden.

Ondanks de vrijspraak van poging tot zware
mishandeling speelt de besmetting met het HIV-virus in cassatie nog
een rol, omdat deze in verscheidene cassatiemiddelen voorwerp van
bespreking is. Zo gaat een aantal middelen over de beweerde
schending van de privacy van de verdachte en diens echtgenote door
mededelingen van het openbaar ministerie en de burgemeester van
Eindhoven over de besmetting van de verdachte. Het hof had
aangenomen dat de privacy van de verdachte inderdaad was
geschonden. Om die reden heeft het hof in plaats van 12 maanden
onvoorwaardelijke gevangenisstraf een straf van 15 maanden opgelegd
waarvan 5 maanden voorwaardelijk. Aldus heeft het hof qua
onvoorwaardelijk deel een lagere gevangenisstraf opgelegd dan het
zonder die schending zou hebben opgelegd.

De advocaat-generaal heeft in zijn
conclusie uiteengezet dat en waarom hij van oordeel is dat aldus
het hof het recht niet heeft geschonden en evenmin in zijn
motiveringsplicht is tekort geschoten. Hetzelfde geldt voor de
andere middelen die de raadsman naar voren heeft gebracht. De
advocaat-generaal heeft voorts geconcludeerd dat de middelen alle
met de zogenaamde verkorte motivering van art. 81 Wet op
rechterlijke organisatie kunnen worden afgedaan.

De uitspraak van de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft de conclusie van de
advocaat-generaal gevolgd. De Hoge Raad heeft ten aanzien van alle
middelen (klachten) overwogen dat deze niet tot cassatie kunnen
leiden en dat dit geen nadere motivering behoeft, omdat de middelen
geen aanleiding geven tot het beantwoorden van rechtsvragen in het
belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Daarmee is de
veroordeling van de verdachte onherroepelijk geworden.

Bron: Hoge Raad der Nederlanden



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: