De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage heeft vandaag uitspraak gedaan in het kort geding dat een instelling voor geestelijke gezondheidszorg in Rotterdam, de Stichting Bavo RNO groep, had aangespannen tegen de Staat over de vergoeding van de kosten voor de klinische opvang van illegalen.Twee vorderingen van eiseres zijn niet toegewezen. Eén vordering is wel toegewezen.
De Staat dient binnen zeven dagen na de betekening van het vonnis € 500.000 aan de Stichting te betalen als voorschot op schadevergoeding dan wel op een vergoeding voor zorg die eiseres aan illegalen heeft geleverd of nog zal leveren tot aan hun uitzetting

 De Stichting is, als instelling voor geestelijke gezondheidszorg, hoofdzakelijk belast met zorg, gefinancierd op basis van de AWBZ (Algemene wet bijzondere ziektekosten), voor inwoners van Rotterdam en omgeving die hulp zoeken voor sociaal-psychologische en psychiatrische problemen. Zij verleent ook zorg aan illegalen (vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven).

Door de inwerkingtreding van de zogeheten Koppelingswet op 1 juli 1998 is het recht op gefinancierde medische verzorging voor illegalen in algemene zin vervallen. De Stichting ziet zich als gevolg van de Koppelingswet geconfronteerd met stijgende kosten voor klinische opvang van illegalen, omdat illegalen geen aanspraak hebben op zorg gefinancierd op grond van de AWBZ.

De Stichting is, als instelling voor geestelijke gezondheidszorg, hoofdzakelijk belast met zorg, gefinancierd op basis van de AWBZ (Algemene wet bijzondere ziektekosten), voor inwoners van Rotterdam en omgeving die hulp zoeken voor sociaal-psychologische en psychiatrische problemen. Zij verleent ook zorg aan illegalen (vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven).
Door de inwerkingtreding van de zogeheten Koppelingswet op 1 juli 199

8 is het recht op gefinancierde medische verzorging voor illegalen in algemene zin vervallen. De Stichting ziet zich als gevolg van de Koppelingswet geconfronteerd met stijgende kosten voor klinische opvang van illegalen, omdat illegalen geen aanspraak hebben op zorg gefinancierd op grond van de AWBZ.

De Stichting vorderde in de eerste plaats om ten aanzien van de illegalen die op dit moment in haar psychiatrisch ziekenhuis zijn opgenomen het koppelingsbeginsel in artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000 buiten werking te stellen. Deze vordering is niet toegewezen.

In de tweede plaats vorderde de Stichting de Staat te gebieden een regeling te treffen waarbij de kosten van de geestelijke gezondheidszorg voor de genoemde illegalen vergoed zouden worden overeenkomstig de wettelijke tarieven voor vergelijkbare zorg aan AWBZ-verzekerden. Ook deze vordering is niet toegewezen.

In de derde plaats vorderde de Stichting de Staat te veroordelen om binnen zeven dagen na de betekening van dit vonnis € 500.000 aan eiseres te betalen als voorschot op schadevergoeding respectievelijk als voorschot op een vergoeding voor de aan illegalen geleverde en nog te leveren zorg tot aan hun uitzetting. Deze vordering is toegewezen.

Ten aanzien van laatstgenoemde vordering wordt onder meer het volgende overwogen.

Een substantieel deel van de illegalen aan wie de Stichting in haar psychiatrische ziekenhuis zorg verleent, verblijft daar gedwongen of vrijwillig op grond van een rechterlijke machtiging of andere maatregel op grond van de Wet bopz (Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen). De Stichting heeft de verplichting deze zorg te verlenen.

De centrale vraag in dit kort geding is of de kosten van deze zorg voor rekening van de Stichting moeten blijven, dan wel ten laste van de Staat dienen te komen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de kosten ten laste van de Staat behoren te komen.

De Stichting lijdt onevenredige schade door de behandeling die zij – afgezien van haar eigen rechtsplicht als hulpverlenende instelling – heeft te bieden door overheidsmaatregelen op grond van de Wet bopz. Deze schade kan niet geacht worden te behoren tot het normale maatschappelijke risico of het bedrijfsrisico van een instelling zoals de Stichting en dient ten laste van de centrale overheid te komen. Door een adequate vergoeding achterwege te laten handelt de Staat onrechtmatig tegenover eiseres. 
 
Bron: Rechtbank 's-Gravenhage