Deze zaken zijn een uitvloeisel van de
transfer van de voetballer Vidmar van de Belgische club Standard
Luik naar Feyenoord in juni 1995. Bij die transfer zou volgens het
Openbaar Ministerie door Feyenoord zogenoemd tekengeld zijn
betaald. De verdachten hebben dat steeds ontkend.Aan Feyenoord is
verweten destijds opzettelijk onjuist of onvolledig aangiften
loonbelasting/premies volksverzekering te hebben gedaan en
opzettelijk valse of vervalste bescheiden voorhanden te hebben
gehad. Van den Herik zou opdracht tot dan wel feitelijke leiding
aan die feiten hebben gegeven. Het hof vond dat onvoldoende was
komen vast te staan dat door Feyenoord tekengeld aan Vidmar is
betaald. Het kan, aldus het hof, niet worden uitgesloten dat de
gekozen constructie bij de betaling van een bedrag aan Vidmar een
uitwerking is van een op Standard Luik rustende verplichting jegens
Vidmar.

Volgens de Hoge Raad heeft het hof daarmee
tot uitdrukking gebracht dat het op grond van het onderzoek ter
terechtzitting niet voldoende ervan overtuigd is geraakt dat
Feyenoord de tenlastegelegde feiten, waartoe Van den Herik de
opdracht dan wel waaraan hij feitelijke leiding zou hebben gegeven,
heeft begaan.

Dat oordeel van het hof berust op zijn
selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal en kan in
cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. De Hoge Raad
laat dat oordeel in stand en vindt dat het hof geen nadere
motivering had behoeven te geven. Het cassatieberoep van het
Openbaar Ministerie is daarom in beide zaken verworpen.

Achtergrond

De Hoge Raad doet uitspraak in de
samenhangende strafzaken tegen Feyenoord N.V. (de rechtsopvolger
van de Stichting Feyenoord) en J.A. van den Herik. De zaken hebben
betrekking op de vraag of ten tijde van een spelerstransfer in 1995
door Feyenoord tekengeld zou zijn betaald. De rechtbank Rotterdam
heeft op 29 november 2002 de beide verdachten vrijgesproken. Het
Openbaar Ministerie heeft tegen de uitspraken hoger beroep
ingesteld. Op 8 november 2005 heeft het hof 's-Gravenhage de beide
verdachten vrijgesproken.

Het cassatieberoep bij de Hoge Raad

Het Openbaar Ministerie heeft beroep in
cassatie ingesteld. In beide zaken is namens de verdachten
incidenteel cassatieberoep ingesteld. Dit is een voorwaardelijk
cassatieberoep, namelijk uitsluitend voor het geval een of meer
klachten van het Openbaar Ministerie doel zouden treffen.

In beide zaken klaagt het Openbaar
Ministerie over de motivering van de door het hof gegeven
vrijspraken.In cassatie worden de zaken behandeld door mr. E. van
Liere, advocaat te Rotterdam, voor Feyenoord en door mr. J.J.M.
Hertoghs en mr. G.J.M.E. de Bont, beiden advocaat te Breda, voor
Van den Herik. De raadslieden hebben het cassatieberoep van het
Openbaar Ministerie tegengesproken.

Advocaat-generaal mr. J. Wortel heeft in
zijn conclusie van 19 september 2006 de Hoge Raad geadviseerd:

- het (principale) beroep van het Openbaar
Ministerie te verwerpen en de verdachten in het (incidentele)
cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren;

- in het geval de Hoge Raad de klachten
van het Openbaar Ministerie gegrond zou bevinden het door de
verdachten ingestelde incidentele cassatieberoep te verwerpen.

Bron: Hoge Raad der Nederlanden