De journalist S. Vuyk heeft op 4 december
2006 geweigerd om als getuige in de rechtszaal een verklaring af te
leggen. De rechtbank ‘s-Gravenhage – voor de
gelegenheid op 4 december zitting houdende in de
nevenvestigingsplaats Zwolle - heeft haar eerder op 24 november
2006 reeds genomen beslissing, dat de journalist Vuyk in deze zaak
geen verschoningsrecht toekomt, gehandhaafd. Niettemin heeft de
rechtbank besloten om Vuyk niet in gijzeling te nemen, omdat het
hoogst onwaarschijnlijk is dat hij zich daardoor zal laten afhouden
van zijn vaste voornemen om zijn bronnen te beschermen.

Vuyk heeft zelfs – voor het geval de
rechtbank niet zou willen terugkomen op de eerdere beslissing om in
dit geval aan de journalist geen verschoningsrecht toe te kennen
– gevraagd om in gijzeling te worden genomen. Hij zou daarmee
kunnen aantonen dat hij zijn bronnen nooit prijsgeeft en zijn
beroep als journalist weer ongehinderd kunnen uitoefenen. De
overwegingen van de rechtbank staan hieronder vermeld.

De rechtbank deelt als haar beslissing het
volgende mede:

De raadsman van de getuige Vuyk kan niet
worden ontvangen in zijn verzoek tot heroverweging van de door de
rechtbank op 24 november 2006 genomen beslissing m.b.t. het
verschoningsrecht van de getuige Vuyk, nu daartegen voor hem geen
rechtsmiddelen openstaan.

De rechtbank stelt vast dat de getuige
Vuyk heeft volhard bij zijn weigering antwoord te geven op de
vragen, zoals vermeld in de tussenbeslissing van de rechtbank van
24 november 2006. Hij blijft zich op het standpunt stellen dat hem
ter zake een verschoningsrecht toekomt.

De raadslieden van de verdachten B. D. en
T. K. hebben vervolgens een verzoek gedaan tot het in gijzeling
nemen van de getuige Vuyk. De Officier van justitie heeft
geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. De getuige Vuyk heeft
subsidiair verzocht zijn gijzeling te bevelen teneinde daarmee aan
te tonen dat hij zijn bronnen blijvend zal beschermen. Hij ziet
hierin tevens een mogelijkheid om zijn beroep van journalist weer
ongehinderd te kunnen uitoefenen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uitgangspunt is het bepaalde in art. 294,
eerste lid, Sv, voor zover hier van belang luidend als volgt:
"indien de getuige bij zijn verhoor zonder wettige grond weigert de
gestelde vragen te beantwoorden, beveelt de rechtbank, indien dit
voor het onderzoek dringend noodzakelijk is, dat hij in gijzeling
zal worden gesteld."

De rechtbank is nog steeds van oordeel dat
het in het belang van het onderzoek dringend noodzakelijk is dat de
getuige Vuyk de meerbedoelde vragen zal beantwoorden, maar zal de
verzochte gijzeling in dit geval niet bevelen nu dit pressiemiddel
–gelet ook op de maximale duur daarvan van een maand-- met
een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet zal leiden tot
het daarmede beoogde resultaat, namelijk dat de in eerste instantie
weigerachtige getuige de vragen alsnog zal beantwoorden.

Daarbij heeft de rechtbank met name de
volgende omstandigheden in aanmerking genomen:

a. bij de Rechter-commissaris heeft de
getuige meer dan eens uitdrukkelijk aangegeven zijn bronnen nimmer
te zullen prijsgeven, ondanks een aldaar gedaan verzoek tot
gijzeling.

b. bij de openbare terechtzittingen is de
getuige Vuyk desgevraagd bij herhaling nog stelliger geweest in
zijn standpunt terzake en heeft ook aangegeven dat gijzeling
–ook van enige duur- daarop geen enkele invloed zal kunnen
uitoefenen.

Bron: Rechtbank Zwolle-Lelystad