Maandagmorgen hebben de Commissie Van den
Berg en de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en
Veiligheidsdiensten hun onderzoeksrapport over vermeende
martelingen door Nederlandse militairen in Irak overhandigd aan
minister Van Middelkoop.

In november 2006 verschenen berichten in
de media waarin werd gesteld dat Nederlandse militairen in 2003
tijdens de SFIR1-missie in Irak zich schuldig zouden hebben gemaakt
aan martelingen. De leiding zou niet hebben ingegrepen en de
misdragingen hebben willen verbergen.

De Commissie onder voorzitterschap van dr.
J.T. van den Berg werd december 2006 door de minister van Defensie
en de minister van Justitie ingesteld om onderzoek te doen naar
vermeende onzorgvuldige behandeling van gedetineerden door
Nederlandse militairen tijdens de SFIR-missie in Irak. De commissie
kreeg ook opdracht het handelen van de leiding van Defensie te
onderzoeken. De Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen-
en Veiligheidsdiensten (CTIVD) onder voorzitterschap van mevrouw
mr. I.P. Michiels van Kessenich-Hoogendam, besloot in december op
basis van haar wettelijke taak onderzoek te doen naar het handelen
van MIVD-medewerkers in Irak.

Beide commissies komen tot de conclusie
dat niet kan worden bewezen dat Nederlandse militairen zich
schuldig hebben gemaakt aan martelingen tijdens ondervragingen van
gedetineerden tijdens de SFIR-missie in Al Muthanna, Irak. De
commissie Van den Berg stelt tevens dat er geen aanwijzingen zijn
dat er bewust informatie is achtergehouden.

De commissie Van den Berg concludeert dat
bij de verhoren van een gedetineerde mogelijk sprake is van geweest
van vernedering, doch geen marteling. Het Openbaar Ministerie
beraadt zich op de strafrechtelijke vervolgbaarheid van deze en
eventueel andere zaken die in de rapporten aan de orde komen.

Minister Van Middelkoop benadrukte bij de
presentatie van de rapporten dat beide commissies geruchten over
martelingen en een doofpot bij Defensie niet bewezen achten.
“Beide commissies komen tot de conclusie dat Nederlandse
militairen zich bij de ondervragingen niet schuldig hebben gemaakt
aan marteling. Hiermee is helderheid geschapen die van groot belang
is voor de krijgsmacht, in het bijzonder voor de militairen die
deel hebben uitgemaakt van het eerste Nederlandse bataljon dat naar
Irak werd uitgezonden. Op degenen die waren betrokken bij de
ondervragingen rust niet langer de verdenking van marteling, zo vat
ik de conclusie van beide commissies samen. Dat betekent ook dat de
militairen van het SFIR-bataljon iedereen recht in de ogen kunnen
kijken. Zij hebben in moeilijke omstandigheden een lastige taak
moeten uitvoeren. Dat verdient waardering! Als minister van
Defensie hecht ik eraan uit te spreken dat de goede reputatie van
de Nederlandse krijgsmacht, nationaal en internationaal, bevestigd
is.”

bron:MinDef