Geen overeenstemming over archeologiebeleid’



Het Bestuurlijk Overleg van VNG, IPO en de Neprom met staatssecretaris Van der Laan (OCW) op 13 april over de invoering van het Verdrag van Valletta weinig opgeleverd. In dit verdrag wordt de nieuwe wijze van omgaan met de archeologie voorgeschreven. Principes hierbij zijn de verstoorder betaalt en wie betaalt bepaalt. De gemeenten dragen hierbij een financiële verantwoordelijkheid tot 5 euro per inwoner per project per jaar. Nu nog zijn gemeenten vaak afhankelijk vrijwillige archeologische werkgroepen en een enkele eigen stadsarcheoloog. Het ligt in de bedoeling de gemeente tot toezichthouder te maken en degene die de grond wil verstoren te verplichten een archeologisch onderzoek te laten verrichten door een te erkennen archeologisch onderzoekbureau.

Wethouder van Schelven (Gouda) rekende, namens de VNG, voor dat dit voor zijn gemeente een plafond betekent van 350.000 euro per project. Bij drie projecten (bouwplannen, grondwerken, etc.) kan dit dus oplopen tot boven een miljoen. Pas daarboven zijn kosten 'excessief en mag aangeklopt worden bij het Rijk.
De VNG meent dat deze drempel in de praktijk niet gehaald zal worden en de gemeenten dus voor álle kosten opdraaien. VNG en IPO pleitten daarom voor verlaging van deze drempel.

De VNG wil daarom dat gemeenten de mogelijkheid krijgen een vereveningsfonds in te stellen, zodat bijzonder hoge kosten opgevangen kunnen worden. Dit fonds moet gevuld worden door een bijdrage (bestemmingsheffing) door de bodemverstoorder, zodat het principe van het verdrag de verstoorder betaalt overeind blijft. De staatssecretaris verzet zich tegen deze constructie.

De VNG vreest echter dat met name bij binnenstedelijke ontwikkelingen- de archeologische kosten zodanig kunnen oplopen dat noch de projectontwikkelaar, noch de gemeente deze willen of kunnen dragen. De staatssecretaris meent dat gemeente en ontwikkelaar het hierover per project eens moeten worden. Indien dit niet gebeurt, is de consequentie dat het project niet doorgaat. Dit zou kunnen betekenen dat de binnensteden op slot gaan, omdat ontwikkelingen slecht of niet realiseerbaar worden. Dit vonden zowel de VNG als de Neprom onwenselijk. Hiervan worden óf de steden, óf de archeologie de dupe.

Daarom wil de VNG een vereveningsfonds. Dit dempt extreme pieken in de kosten en maakt deze kosten voorspelbaar, wat ook in het voordeel is van de projectontwikkelaar. Niettemin zet de Neprom in op een andere oplossing: aftopping van de bijdrage van marktpartijen aan archeologie. Ook die oplossing verwerpt de staatssecretaris, omdat zij daar geen geld voor beschikbaar wil stellen.

Wel steunt de staatssecretaris de Neprom in het verzet tegen het gemeentelijk opdrachtgeverschap. De VNG meent dat het logisch is om in situaties van een vereveningsfonds- de gemeente ook opdrachtgever van het onderzoek te maken. Dit onderzoek wordt immers betaald uit het fonds.

Volgens de staatssecretaris is echter de baas van de bouwput ook de baas van de opgraving. De VNG vreest dat tijd en geld die aan archeologisch onderzoek besteed worden hierdoor zal worden geminimaliseerd.

Hoewel zowel voor de mogelijkheid van een vereveningsfonds als voor het gemeentelijk opdrachtgeverschap amendementen zijn ingediend door CDA en VVD, houdt de staatssecretaris dus vast aan haar eigen wetsvoorstel. Hierdoor dreigt niet alleen in het bestuurlijk overleg, maar ook in de Tweede Kamer een patstelling.

De VNG is wel blij de steun van de staatssecretaris op het punt van de vrijstelling van kleine projecten. Het CDA heeft een amendement ingediend om projecten kleiner dan 100 m2 in de wet vrij te stellen. De VNG meent dat dit in lokale verordeningen vastgelegd moet worden. In archeologisch rijke gebieden kan immers op 20 m2 een belangrijke vondst gedaan worden, terwijl in andere gebieden op 500m2 geen vondstverwachting is. Op basis van een waardekaart kan dit in de verordening worden vastgelegd.

Het overleg zal worden voortgezet.

bron:VNG



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: