De Rijksrecherche en het OM Utrecht hebben
onderzoek gedaan naar strafbare feiten die gepleegd zouden zijn
tijdens de opsporing en vervolging van verdachte Kees B., die ten
onrechte werd veroordeeld voor de Schiedammer parkmoord. Conclusie
van het OM Utrecht is dat niet is gebleken van enig door de
officier van justitie (de zaaks-OvJ) of de Advocaat-Generaal (de
zaaks-AG) gepleegd strafbaar feit. Het OM Utrecht zal geen
strafvervolging tegen hen instellen. De conclusie dat er geen
strafbare feiten zijn gepleegd door de zaaks-OvJ en de zaaks-AG
doet niets af aan de bevindingen en conclusies van de commissie
Posthumus ten aanzien van de professionaliteit die van het OM en
andere actoren in de strafrechtspleging mag worden verwacht.

Aanleiding voor het Utrechtse onderzoek
was de aangifte van de ten onrechte veroordeelde Kees B. Namens hem
is aangifte tegen de zaaks-OvJ en de zaaks-AG gedaan terzake van
verduistering van bewijsstukken en het beïnvloeden van
getuigen. Het OM Utrecht heeft naar aanleiding van de aangifte in
brede zin onderzocht of de zaaks-OvJ en zaaks-AG opzettelijk een
onvolledig dossier hebben verstrekt of opzettelijk voor de zaak
relevante informatie hebben achter gehouden (artikel 225 Wetboek
van Strafrecht). Een OvJ van het landelijk parket heeft gezorgd
voor tegenspraak in het onderzoek.

Het sporenonderzoek door het NFI,
Ontbrekende informatie bij rechtbank, hof en verdediging.

In het opsporingsonderzoek en de
berechting van de verdachte in de zaak van de Schiedammer Parkmoord
heeft het sporenonderzoek door het NFI een zeer belangrijke rol
gespeeld. Het NFI heeft vele sporen onderzocht, en over vele
onderzoeksresultaten gerapporteerd.

Gebleken is dat er een discussie binnen
het NFI bestond over een aantal zeer complexe DNA-profielen of
delen daarvan. Die discussie ging over de wetenschappelijke
betrouwbaarheid van de resultaten van sporenonderzoek. Een van die
sporen was erg belangrijk, omdat dat spoor was gevonden op de veter
die om de hals van het dodelijke slachtoffer was aangetroffen.

Een onderzoeker van het NFI was van mening
dat uit sporen op die veter hetzelfde DNA-profiel of delen daarvan
als in andere sporen naar voren kwam, van een en dezelfde onbekende
derde. De verantwoordelijke deskundige van het NFI zag het profiel
van die onbekende derde wel in sporen in het nagelvuil en op de
laars van het slachtoffer maar was en is uitdrukkelijk het
wetenschappelijk oordeel toegedaan dat er géén deel
van dat DNA-profiel is aangetroffen in bedoeld spoor op de
veter.

Op deze wetenschappelijke conclusie van de
deskundige baseert de zaaks-AG in haar requisitoir de opmerking dat
het DNA-onderzoek aan de veter waarmee het slachtoffer was
gestranguleerd geen resultaat heeft gehad.

Het OM Utrecht concludeert dat de
zaaks-OvJ en de zaaks-AG zich in deze wetenschappelijke discussie
mochten verlaten op het oordeel van de deskundige. In deze
wetenschappelijke discussie was de deskundige gezaghebbend en
doorslaggevend.

Onderzoeker en deskundige waren het eens
over hun twijfel aan de betrokkenheid van Kees B. bij de moord.
Twijfel omdat er ondanks het omvangrijke sporenonderzoek geen enkel
DNA-spoor van Kees B. was aangetroffen. Deze twijfel heeft de
deskundige in zijn gesprekken met het OM, voor het eerst na de
veroordeling van Kees B. door de rechtbank, naar voren willen
brengen.

De grond voor deze twijfel, het ontbreken
van DNA van Kees B., had de deskundige ook expliciet gerapporteerd,
evenals de aangetroffen (delen van) DNA-profielen van de onbekende
derde in het nagelvuil en op de laars. Nadat het NFI twijfel
kenbaar had gemaakt aan het OM is de deskundige ter zitting bij het
hof gehoord. Alle elementen die de grondslag van de twijfel van de
deskundige vormden en door hem kenbaar waren gemaakt in de
gesprekken met het OM, zijn ook ter zitting door hem naar voren
gebracht.

Het OM Utrecht constateert dat de twijfel
van de deskundige uitsluitend was gebaseerd op hetgeen hij heeft
gerapporteerd en verklaard ter zitting. Deze constatering is
cruciaal en leidt tot de conclusie dat aan de zaaks-OvJ en de
zaaks-AG niet strafrechtelijk kan worden verweten dat zij
opzettelijk informatie hebben achtergehouden die ontlastend was
voor Kees B.

Deze conclusie van het OM Utrecht uit het
strafrechtelijk onderzoek doet voor wat betreft de DNA-kwestie
niets af aan de conclusies van Posthumus. In het onderzoek tegen
Kees B. is onvoldoende gewicht toegekend aan het feit dat er geen
technisch bewijs (DNA-sporen) tegen hem aanwezig was. De
afwezigheid van sporen die te herleiden waren tot Kees B., alsmede
de aanwezigheid van een aantal DNA-profielen dat afkomstig was van
een ander dan Kees B., alsmede de discussie binnen het NFI over de
herkomst van een belangrijk daderspoor op de veter, hadden
aanleiding moeten zijn tot nader onderzoek. De relevantie hiervan
blijkt uit de afloop van de zaak. Kees B. is ten onrechte
veroordeeld. In de zaak tegen Wik H. is bij nieuw onderzoek aan de
veter die om de hals van het dodelijke slachtoffer werd
aangetroffen, slechts zwak DNA-bewijs tegen Wik H. gevonden. Wel
werd een volledig DNA-profiel van Wik H. gevonden bij nieuw
onderzoek aan de kleding van het slachtoffer.

Ook deze gang van zaken leidt echter niet
tot een strafrechtelijk verwijt.

Het ontbreken van DNA-bewijs tegen Kees B.
is in het strafdossier opgenomen. Het niet verrichten van nader
onderzoek aan de kleding van het slachtoffer kan niet worden
aangemerkt als een opzettelijk nalaten. Nadat het NFI twijfel aan
het OM had bekendgemaakt, is ook in opdracht van het OM aanvullend
onderzoek verricht. De zaaks-AG heeft nog in een laat stadium
mogelijkheden tot nader onderzoek verkend. De eventuele
mogelijkheden van nader onderzoek naar kleding van het slachtoffer
zijn daarbij niet aan de orde gekomen. De zaaks-AG is zich niet
bewust geweest van de mogelijkheid tot nader onderzoek aan de
kleding van het slachtoffer.

Naar het oordeel van het OM Utrecht is
‘de DNA-kwestie’ de essentie van het strafrechtelijke
onderzoek. Het onderzoek heeft zich eveneens gericht op de door de
aangever genoemde specifieke feiten.

Ambtelijke verduistering van een rapport
van een gedragsdeskundige (artikel 361 Wetboek van Strafrecht)

I. Uit het onderzoek is het volgende
gebleken. De zaaks-OvJ beschikte over een rapport van een
persoonlijkheidsonderzoek naar de persoon van de minderjarige
getuige Maikel van bedoelde gedragsdeskundige en heeft dat rapport
bewust niet aan het procesdossier toegevoegd. Dit om de indruk van
partijdigheid te voorkomen. Volgens de zaaks-OvJ zou partijdigheid
verondersteld kunnen worden vanwege de adviserende rol die deze
deskundige tijdens het opsporingsonderzoek had gehad bij de
verhoren van Maikel. De zaaks-OvJ heeft om die reden een andere
gedragsdeskundige eveneens een persoonlijkheidsonderzoek naar
Maikel laten verrichten. De van dit onderzoek opgemaakte
rapportage, waaruit de privacygevoelige informatie over Maikel is
weggelaten, bevindt zich (wel) in het procesdossier. Beide
gedragsdeskundigen kwamen tot dezelfde conclusie over de
betrouwbaarheid van Maikel als getuige.

De eerste gedragsdeskundige is als
getuige-deskundige door de rechter-commissaris gehoord. Van dit
verhoor bevindt zich het proces-verbaal in het dossier. Onder deze
omstandigheden is geen sprake van ambtelijke verduistering van
bewijsmiddelen.

Ambtelijke verduistering van een
gespreksverslag van een overleg tussen de zaaks-OvJ en het NFI op
19 januari 2001.

Uit de feiten en omstandigheden die zijn
komen vast te staan is niet gebleken dat de zaaks-OvJ zich schuldig
heeft gemaakt aan verduistering van bewijsmiddelen door geen
verslag van een overleg dat op 19 januari 2001 op het NFI
plaatsvond aan het procesdossier toe te voegen.

Uit de wet blijkt dat er sprake moet zijn
van een verduisterd schriftelijk stuk. Er blijkt een
concept-verslag door een medewerker van het NFI te zijn opgemaakt
maar dit concept is nooit onder de aanwezigen van het overleg
verspreid. De zaaks-OvJ beschikte evenmin over dat concept. Reeds
enkel om deze reden is er geen sprake van verduistering van
bewijsmiddelen.

Ambtelijke verduistering van een verslag
van een overleg dat de AG met het NFI op 17 januari 2002 heeft
gehad.

De AG heeft, zo is uit het onderzoek
gebleken, de door haarzelf en haar beleidsmedewerker gemaakte
aantekeningen van dit overleg verwerkt in een verslag. Dit verslag
heeft zij niet verspreid onder de deelnemers aan het overleg en
niet aan het procesdossier toegevoegd.

In samenhang met hetgeen over de
DNA-kwestie is geconcludeerd is het OM Utrecht van oordeel dat deze
persoonlijke aantekeningen en dit (niet vastgestelde)
gespreksverslag niet kunnen worden aangemerkt als een stuk om tot
bewijs te dienen. Er is dan ook geen sprake van verduistering van
een bewijsmiddel.

IV. Beïnvloeding van getuigen,
(artikel 285a Wetboek van Strafrecht)

In de aangifte wordt gesteld dat de
zaaks-OvJ bij een bespreking met het NFI op 19 januari 2001 heeft
gezegd "dat het belangrijk is dat de rapportage zodanig geschreven
wordt dat de advocatuur er niet mee ‘op pad’ gaat. Er
moet worden uitgesloten dat zoiets gebeurt". Het lag voor de hand,
aldus de aangifte, dat met deze woorden de bij die bespreking
aanwezige getuigen-deskundigen door de zaaks-OvJ werden
beïnvloed om de inhoud van hun rapportage en hun verklaring
ter terechtzitting aan te passen.

Uit het Utrechtse onderzoek is niet
gebleken dat de woorden als geciteerd, of woorden die dezelfde
strekking hebben, door de zaaks-OvJ zijn gezegd. Het citaat is
opgenomen in een concept-verslag. Het concept-verslag is niet
verspreid onder de deelnemers aan dat overleg en derhalve niet
goedgekeurd en vastgesteld. De deelnemers aan het overleg
herinneren zich blijkens onderzoek geen van allen dat de zaaks-OvJ
dergelijke woorden heeft gezegd.

Tijdens het Utrechtse onderzoek naar de
mogelijke beïnvloeding van de getuigen-deskundigen door de
zaaks-OvJ verklaren beide deskundigen dat zij niet beïnvloed
zijn door de zaaks-OvJ en niet hebben ervaren dat de zaaks-OvJ dat
heeft geprobeerd. Zij hebben op basis van hun eigen deskundigheid
het onderzoek uitgevoerd, de rapportage(s) opgesteld en de
verklaringen op de zitting bij de rechtbank en het hof
afgelegd.

Uit de in het onderzoek vastgestelde
feiten is gebleken dat de in artikel 285a WvSr omschreven
beïnvloeding van getuigen niet heeft plaatsgevonden.

Slotconclusie:

Zou, op basis van het huidige
onderzoeksresultaat, de vraag moeten worden beantwoord of de
zaaks-OvJ en de zaaks-AG als verdachte kunnen worden aangemerkt,
dan zou die vraag ontkennend moeten worden beantwoord. Om die reden
zal de zaak tegen de zaaks-OvJ en tegen de zaaks-AG worden
geseponeerd omdat zij ten onrechte als verdachte zijn
aangemerkt.

De sepotbeslissing is woensdag door de
Utrechtse hoofdofficier aan de aangever (Kees B.) en zijn
raadslieden medegedeeld en toegelicht. Ook de OvJ en AG tegen wie
de aangifte was gericht en hun raadsman hebben van de hoofdofficier
vandaag de sepotbeslissing medegedeeld gekregen.

Het College van procureurs-generaal
onderschrijft de bevindingen en conclusies van het strafrechtelijk
onderzoek van het openbaar ministerie Utrecht naar aanleiding van
de aangifte die is gedaan tegen de officier van justitie en de
advocaat-generaal, die de strafzaak tegen Kees B., verdachte in de
Schiedammer parkmoord hebben behandeld (zie persbericht parket
Utrecht).

Het College is het eens met de
eindconclusie van de Hoofdofficier Utrecht dat zowel de officier
van justitie als de advocaat-generaal geen strafrechtelijk verwijt
te maken valt.

Naar het oordeel van het College is er
voorts geen aanleiding om aan de minister van Justitie voor te
stellen een disciplinaire straf aan een van beide op te leggen. Het
onderzoek heeft immers geen aanwijzing opgeleverd dat er iets
schort aan de integriteit van betrokkenen. De minister heeft
hiermee ingestemd.

In het kader van het rapport-Posthumus
(Evaluatieonderzoek in de Schiedammer parkmoord, 13 september 2005)
is een hele reeks maatregelen uitgewerkt in het programma
‘Versterking opsporing en vervolging’. Het betreft
maatregelen ter verbetering van de kwaliteit en professionaliteit
in de strafrechtketen.

Een groot aantal van deze maatregelen zijn
of worden inmiddels doorgevoerd bij het openbaar ministerie,
politie en NFI.

bron:OM