De rechtbank ’s-Gravenhage heeft
vandaag uitspraak gedaan in een civiele zaak van de FNV, de
Stichting Proefprocessenfonds Clara Wichmann en zeven vrouwelijke
zelfstandigen tegen de Staat over de aanspraken van vrouwelijke
zelfstandige ondernemers en beroepsbeoefenaren op een uitkering in
verband met zwangerschap en bevalling. De rechtbank heeft de
vorderingen van eiseressen afgewezen.

Met ingang van 1 augustus 2004 is de Wet
einde toegang verzekering WAZ (Wet
Arbeidsongeschikt-heidsverzekering Zelfstandigen) in werking
getreden. Deze wet heeft een einde gemaakt aan de
publiekrechtelijke verplichte verzekering van zelfstandigen,
beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten tegen het risico van
inkomensverlies wegens arbeidsongeschiktheid en, in verband
daarmee, ook aan het recht op een uitkering in verband met
zwangerschap en bevalling. Sindsdien zijn zelfstandigen voor deze
verzekering aangewezen op een particuliere
arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Het ging in deze zaak om de vraag of de
Staat onrechtmatig handelt jegens eiseressen door bij de genoemde
wet een einde te maken aan het recht van vrouwelijke zelfstandigen
op een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling krachtens
de WAZ en of de Staat aan de zeven vrouwelijke zelfstandigen een
schadevergoeding moet betalen ter hoogte van de uitkering, waarop
zij op grond van de WAZ aanspraak zouden hebben gehad.

Volgens eiseressen is de Wet einde toegang
verzekering WAZ in strijd met het Europees recht, (namelijk de
artikelen 4 en 8 van de Zelfstandigenrichtlijn) en met artikel 11
lid 2, aanhef en onder b, van het VN-Vrouwenverdrag.

Naar het oordeel van de rechtbank
verplichten de artikel 4 en 8 van de Zelfstandigenrichtlijn de
lidstaten niet tot het treffen van een publiek stelsel van
uitkeringen wegens zwangerschap en bevalling voor vrouwelijke
zelfstandigen.

Wat betreft artikel 11 lid 2, aanhef en
onder b van het VN-Vrouwenverdrag komt de rechtbank tot de
conclusie dat dit artikel geen rechtstreekse werking heeft, maar
moet worden opgevat als een instructienorm.

Gelet op deze conclusie is voor de
beslissing in deze zaak niet mee relevant of het tweede lid van
artikel 11 alleen betrekking heeft op in loondienst werkende
vrouwen, of ook op als zelfstandige ondernemer of beroepsbeoefenaar
werkende vrouwen. Het is dan ook ten overvloede dat de rechtbank
over die vraag overweegt dat artikel 11 naar het oordeel van de
rechtbank sterke aanwijzingen bevat dat het tweede lid van dit
artikel uitsluitend betrekking heeft op vrouwen die in loondienst
werken.

Bron: Rechtbank 's-Gravenhage