Gevangenisstraf voor opzettelijke vrijheidsberoving en hennepteelt



De rechtbank Roermond heeft een 26-jarige man uit Roermond veroordeeld voor het opzettelijk beroven van de vrijheid van een 61-jarige plaatsgenoot en voor het tezamen en in vereniging telen van hennep. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, onder aftrek van het voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De rechtbank acht bewezen dat de Roermondenaar, zijn vader en een Pool, het slachtoffer van zijn vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden door hem vast te pakken, te slaan, tegen een verwarmingselement te duwen, tegen zijn wil vast te tapen en in de auto van de vader van de verdachte te laten plaatsnemen en naar de woning van de ex-vrouw van het slachtoffer te rijden.

Verdachte en zijn vader hadden een garageruimte gehuurd van het slachtoffer en daarin een hennepplantage ingericht. Op een gegeven moment veroorzaakt die hennepplantage naar het oordeel van de verhuurder te veel stankoverlast. De zoon van het slachtoffer bezoekt de vader van verdachte met het verzoek de hennepplantage te ontmantelen. Naar aanleiding van dat gesprek is de zoon van het slachtoffer zo bang dat hij onderduikt. Enige dagen later wordt de hennepplantage in de garage van het slachtoffer ontmanteld. De zoon van het slachtoffer meldt dit aan de huurders, die aangeven dat dat niet in hun opdracht is gebeurd. De huurders zijn boos omdat hun hennepplantage is geript en willen verhaal halen bij de zoon van het slachtoffer. Daartoe laten zij twee Polen posten bij het huis van het slachtoffer, waar ook de zoon woont.

Op 6 oktober 2004 komt het slachtoffer thuis. Eén van de Polen, medeverdachte in deze zaak, meldt dit bij de huurders. Deze komen naar de woning toe en willen van het slachtoffer weten waar zijn zoon verblijft. Verdachten beroven daarbij het slachtoffer van zijn vrijheid.

Ondervragingsrecht
De verdediging heeft aangevoerd dat het ondervragingsrecht is geschonden, omdat zij onvoldoende de gelegenheid heeft gehad het slachtoffer te kunnen horen. Het verhoor van het slachtoffer vond namelijk plaats bij het slachtoffer thuis in aanwezigheid van de rechter-commissaris en de griffier. Dit omdat het slachtoffer en zijn zoon door de hiervoor omschreven gebeurtenissen zijn getraumatiseerd. Bij het slachtoffer is door de behandelend psycholoog een posttraumatisch stresssyndroom vastgesteld. Een verhoor ter terechtzitting, in het kabinet van de rechter-commissaris en in aanwezigheid van de raadslieden van verdachten wordt door het slachtoffer geassocieerd met de verdachten, waardoor het slachtoffer zal dichtklappen, aldus de psycholoog. Vandaar dat het verhoor bij het slachtoffer thuis plaatsvond. Tijdens dit verhoor stond de rechter-commissaris in telefonische verbinding met de raadslieden. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging, afgezet tegen de gezondheidstoestand van het slachtoffer, voldoende in de gelegenheid is geweest om de getuige te ondervragen, zodat van schending van het ondervragingsrecht geen sprake is.

De verdediging heeft voorts nog aangevoerd dat de verklaringen van het slachtoffer onbetrouwbaar zijn, gezien de grote verschillen in zijn verklaringen met betrekking tot de in zijn garage aangetroffen hennepkwekerij. De leugenachtigheid van de verklaringen over de hennepkwekerij infecteert ook zijn verklaringen over de wederrechtelijke vrijheidsberoving. De rechtbank acht het juist dat het slachtoffer op meerdere momenten tegenstrijdig verklaart. De tegenstrijdigheden hebben steeds maar op een deel van zijn verklaring betrekking, namelijk omtrent de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij. De rechtbank neemt aan dat het slachtoffer dat doet om zijn rol bij de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij verborgen te houden voor justitie en politie.

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij van het slachtoffer gedeeltelijk toe. De rechtbank bepaalt dat verdachte en diens mededaders als voorschot een bedrag van ̢ 2.000,- dienen te betalen. Ook de ex-vrouw van het slachtoffer heeft een vordering benadeelde partij gedaan. Deze vordering wordt echter door de rechtbank afgewezen, omdat de schade niet in een rechtstreeks verband staat met de tenlastegelegde feiten.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw de tijd die verdachte ingevolge schorsingsvoorwaarde van de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht heeft gestaan af te trekken van het voorarrest. De rechtbank overweegt daartoe dat artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht niet in die mogelijkheid voorziet.

bron:Rechtbank Roermond



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: