De Hoge Raad heeft uitspraak gedaan in het
geding tussen de Vereniging Effectenbezitters(VEB) en ABN AMRO over
de verkoop van de Amerikaanse dochter LaSalle. Anders dan de
ondernemingskamer heeft geoordeeld, kan het goedkeuringsrecht voor
aandelhouders volgens de Hoge Raad niet worden aangenomen op grond
van bijzondere omstandigheden of de eisen van behoorlijk
ondernemingsbestuur (art. 2:8 en art. 2:9 BW). Het bestuur dient de
belangen van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming
voorop te stellen. De omstandigheid dat aandeelhouders hun aandelen
voor een zo hoog mogelijke prijs willen verkopen brengt niet mee
dat het bestuur van ABN AMRO goedkeuring moet vragen voor de
verkoop van LaSalle. Dit vloeit ook niet voort uit de hierover in
Nederland levende rechtsovertuiging.

Achtergrond

De Hoge Raad heeft op 15 mei 2007 drie
verzoekschriften ontvangen waarmee cassatieberoep is ingesteld
tegen de uitspraak van 3 mei 2007, rekestnr. 451/2007 OK van de
ondernemingskamer bij het gerechtshof Amsterdam ( zie
rechtspraak.nl, LJN BA4395).

Het betreft verzoekschriften van:

- ABN AMRO Holding N.V. en ABN AMRO Bank
N.V., nader te noemen ABN AMRO, (zaaknummer R07/102)

cassatieadvocaat: mr. P.J.M. von Schmidt
auf Altenstadt

- Bank of America Corporation (zaaknummer
R07/100) cassatieadvocaten: mrs. E. Grabandt, S.M. Bartman en J.P.
Heering

- Barclays PLC (zaaknummer R07/101)

cassatieadvocaat: mr. E. van Staden ten
Brink

Verweerschriften zijn ontvangen van:

- VEB, P. Schoenfeld asset management
limited liability company, J.T.M. de Laat, J.F. van der Steene,
J.D. Steneker en J.A. de Vries, gezamenlijk VEB c.s.,

cassatieadvocaat mr. J.W.H. van Wijk.
Verweer in R07/100, R07/101 en R07/102, waarbij tevens
voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep is ingesteld

- The Royal Bank of Scotland Group PLC,
Fortis N.V., Fortis S.A./N.V. en Banco Santander Central Hispano
S.A., gezamenlijk 'het Consortium',

cassatieadvocaat mr. H.J.A. Knijff.
Verweer in de zaken R07/100, R07/101 en R07/102

- ABN AMRO (in R07/100 en R07/101)

- Bank of America (in R07/101 en
R07/102)

In dit geding draait het om de vraag of
het bestuur van ABN AMRO haar Amerikaanse dochtervennootschap
LaSalle heeft mogen verkopen zonder goedkeuring van de
aandeelhoudersvergadering. Deze verkoop vond plaats op het moment
dat het bestuur van ABN AMRO in exclusieve onderhandelingen met
Barclays was over een fusie op basis van aandelenruil. Bovendien
had vóór de verkoop een consortium van drie banken
(Royal Bank of Scotland, Santander en Fortis) te kennen gegeven een
voorstel te willen doen voor de verwerving van de aandelen in ABN
AMRO.

De VEB heeft de ondernemingskamer verzocht
een onderzoek te gelasten naar het beleid en de gang van zaken met
betrekking tot de verkoop van LaSalle. Tevens heeft de VEB de
ondernemingskamer gevraagd zogenoemde "onmiddellijke voorzieningen"
te treffen. Eén van de verzochte voorzieningen hield in dat
het bestuur van ABN AMRO alsnog goedkeuring voor de
Lasalle-transactie van zijn aandeelhoudersvergadering diende te
vragen. De ondernemingskamer heeft een voorziening van die
strekking getroffen en daartegen richt zich het cassatieberoep.

Het oordeel van de ondernemingskamer

De ondernemingskamer heeft het volgende
geoordeeld:

1. vooralsnog is niet komen vast te staan
dat de verkoop van LaSalle met het oogmerk is uitgevoerd om een
concurrerend bod van het consortium te frustreren;

2. met het besluit van het bestuur en de
raad van commissarissen om ABN AMRO "in de etalage te zetten" en
een overnamepartner voor ABN AMRO te zoeken, is evenwel met de
verkoop van LaSalle, welke niet los kan worden gezien van de fusie
tussen ABN AMRO en Barclays, "het domein van de aangelegenheden die
aan bestuur en raad van commissarissen zijn voorbehouden
verlaten";

3. in het licht van deze en de andere
omstandigheden van het geval zou het in strijd zijn met de
redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW en de aan art. 2:107a
BW ten grondslag liggende gedachte, indien de algemene vergadering
van aandeelhouders van ABN AMRO zich niet zou kunnen "uitspreken"
over de verkoop van LaSalle;

4. daarom dient de verkoop van LaSalle te
worden opgeschort totdat de aandeelhoudersvergadering hieraan haar
goedkeuring heeft gegeven.

De conclusie (d.d. 26 juni 2007) van mr.
L. Timmerman, advocaat-generaal bij de Hoge Raad

De advocaat-generaal was van mening dat
noch de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW noch de aan
art. 2:107a BW ten grondslag liggende gedachte meebrengt dat de
verkoop van LaSalle de goedkeuring van de aandeelhoudersvergadering
behoeft. Daarom heeft hij de Hoge Raad geadviseerd de uitspraak van
de ondernemingskamer te vernietigen.

Het oordeel van de Hoge Raad

De civiele kamer van de Hoge Raad,
bestaande uit mr. J.B. Fleers, mr. A. Hammerstein, mr. J.C. van
Oven, mr. F.B. Bakels en mr. W.D.H. Asser, heeft, kort samengevat
de volgende uitspraak gedaan.

1. De ondernemingskamer heeft geoordeeld
dat de verkoop van Lasalle aan Bank of America niet kan worden
beschouwd als een ongeoorloofde beschermingsmaatregel van ABN AMRO
Holding. Dit oordeel is in cassatie in stand gebleven.

2. De ondernemingskamer heeft terecht tot
uitgangspunt genomen

(i) dat het bestuur van ABN AMRO in
beginsel tot deze verkoop bevoegd was

en

(ii) dat de wet (art. 2:107a lid 1 BW) aan
de aandeelhouders van ABN AMRO Holding geen goedkeuringsrecht
toekent met betrekking tot de verkoop van Lasalle.

3. Art. 2:107a BW mag niet ruim worden
uitgelegd of toegepast op andere gevallen dan daarin strikt zijn
bedoeld.

4. Nu er sprake is van een definitieve
koopovereenkomst, moet rekening gehouden worden met de belangen van
Bank of America en Barclays. Over de uitvoering van deze bevoegd
gesloten overeenkomst mag geen onnodige onzekerheid bestaan.

5. De Hoge Raad komt tot de conclusie dat
er geen gronden zijn voor het toewijzen van de gevraagde
onmiddellijke voorzieningen en wijst deze alsnog af.

Gevolgen van deze uitspraak

Het vorenstaande houdt in dat de
cassatieberoepen van Bank of America, Barclays en ABN AMRO slagen
en dat het beroep van VEB c.s. is verworpen, en het verzoek van VEB
c.s. aan de ondernemingskamer om de verkoop van LaSalle op te
schorten in afwachting van een raadpleging van de aandeelhouders,
definitief is afgewezen.

De zaak wordt dus niet verwezen naar de
ondernemingskamer, die echter nog wel moet beslissen over het
verzoek van VEB c.s. tot het houden van een onderzoek naar het
beleid en de gang van zaken van ABN AMRO vanaf 1 januari 2006.

bron:Hoge Raad der Nederlanden