Nederland voert geen vrij verkeer van
werknemers in met Bulgarije en Roemenië op het moment dat deze
landen op 1 januari 2007 toetreden tot de Europese Unie. Dat
betekent dat werkgevers een tewerkstellingsvergunning moeten
blijven aanvragen als ze volgend jaar werknemers uit deze landen
willen aannemen. Die vergunning zal pas worden afgegeven wanneer in
Nederland of de andere EU-lidstaten geen werknemers beschikbaar
zijn én wanneer de werkgever voldoende arbeidsvoorwaarden en
huisvesting biedt. Dat heeft de ministerraad besloten op voorstel
van staatssecretaris Van Hoof van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.

Vrijwel alle oude EU-lidstaten voeren voor
Bulgarije en Roemenië een overgangsregime in. Dat is voor het
kabinet een belangrijke reden om nog niet over te gaan tot een vrij
verkeer van werknemers met deze landen. Ook zijn de
welvaartsverschillen met de oude lidstaten zó groot dat het
volledig openstellen van de grens kan leiden tot een grote
toestroom van Roemeense en Bulgaarse werknemers. Het
overgangsregime geldt in principe voor twee jaar. Een jaar na
toetreding wil het kabinet evalueren hoe de arbeidsmigratie zich
ontwikkelt. Dan kan het beleid eventueel worden versoepeld. Daarbij
valt te denken aan het sneller afgeven van vergunningen in bepaalde
sectoren, zoals dat de afgelopen maanden ook is gebeurd voor
werknemers uit de acht Midden- en Oost Europese landen die in 2004
zijn toegetreden tot de Europese Unie.

Als landen toetreden tot de Europese Unie
geldt een aantal standaard regels. Zo is er in principe de eerste
twee jaar een overgangsregime voor het werknemersverkeer, maar
lidstaten kunnen er ook voor kiezen al wel vrij verkeer in te
voeren. Daarna mogen de landen nog maximaal drie jaar de
overgangsmaatregel in stand houden. Na vijf jaar moeten ze de
grenzen volledig openstellen voor werknemers uit de nieuwe landen,
tenzij ze kunnen aantonen dat de arbeidsmigratie de arbeidsmarkt
ernstig dreigt te verstoren.

bron:SZW