De SER is het eens met het kabinet dat er
ook na afloop van de huidige convenantperiode in 2009 behoefte
blijft aan een grotestedenbeleid. Hij staat evenwel drie duidelijke
veranderingen voor.

De veranderingen waar de SER voor pleit
zijn:

-Concentratie van het grotestedenbeleid op
het aanpakken van hardnekkige en complexe knelpunten
respectievelijk op het benutten van kansen die de krachten van
afzonderlijke steden te boven gaan en waarvoor dus een bijzondere
bijdrage van het Rijk nodig is. Daarbij past een scherpere
differentiatie tussen gemeenten op basis van de feitelijke
verschillen tussen steden en wijken in de ernst van de
grootstedelijke problematiek. Die verschillen moeten helder in
kaart worden gebracht.

-Decentralisatie van financiële
middelen daar waar steden redelijkerwijs in staat zijn zelf –
zonder bijzondere betrokkenheid van het Rijk – hun stedelijke
problematiek aan te pakken. Dit sluit goed aan bij de afspraken in
het coalitieakkoord over het krachtig bevorderen van
decentralisatie van taken en bevoegdheden naar en van
zelfstandigheid van provincies en gemeenten. Daarbij is sprake van
omzetting van de helft van het aantal doeluitkeringen in een
generieke bijdrage aan de gemeenten. Evenzo zou een nader te
bepalen, substantieel deel van de voor het grotestedenbeleid
gereserveerde middelen aan de steden kunnen worden overgedragen
voor besteding aan zelf te kiezen prioriteiten.

-Partnerschap zou de verhouding tussen
Rijk en stad in het grotestedenbeleid moeten kenmerken. Dit
partnerschap kan het beste tot ontwikkeling komen in een charter
(wilsovereenkomst) dat stad en Rijk met elkaar sluiten. Daarbij
kunnen prestatie van de stad en tegenprestatie van het Rijk in een
transactie aan elkaar worden gekoppeld. De uit te wisselen
prestaties kunnen betrekking hebben op inspannings- en
resultaatverplichtingen respectievelijk op het beschikbaar stellen
van financiële middelen en expertise en het aanpassen van
regels. De (tegen)prestaties kunnen ook over de grenzen van het
huidige grotestedenbeleid heengaan en kunnen daarmee beleidsvelden
als mobiliteit, milieu en onderwijs nadrukkelijker bij
partnerschappen tussen Rijk en steden (of stedelijke netwerken)
betrekken.

In de visie van de raad komt het
initiatief in het nieuwe grotestedenbeleid nadrukkelijk bij de
afzonderlijke stad te liggen: daar worden de prioriteiten gesteld;
daar komen de verschillende partnerschappen bij elkaar.

Die partnerschappen – binnen de stad
met onder meer woningcorporaties, bedrijfsleven en onderwijs- en
kennisinstellingen – zijn vooral nodig om de hardnekkige en
meervoudige problemen in achterstandswijken aan te pakken. De
uitdaging voor de gemeente is om de fysieke vernieuwing te
verbinden met de aanpak van de sociale opgaven in de wijk. De
woonvisie en de structuurvisie vormen daarvoor belangrijke
kaders.

bron:SER