De Hoge Raad heeft op 26 september 2006 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen Ferdi Ö., die verdacht wordt van het medeplegen van de moord op Maja Bradaric en het medeplegen van het wegvoeren en verbranden van haar lichaam op 17 november 2003 in Nijmegen. Het hof Arnhem heeft op 27 april 2005 in hoger beroep de verdachte,  veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak het door Ferdi Ö. ingestelde cassatieberoep verworpen, behoudens voor wat betreft de strafoplegging. Daarop is een maand gekort vanwege een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting.

Achtergrond
Op 26 mei 2004(zie LJN AP0070) heeft de rechtbank Arnhem de verdachte veroordeeld tot 11 jaar gevangenisstraf wegens het medeplegen van moord en het medeplegen van het verbranden en wegvoeren van een lijk met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen. Het hof Arnhem heeft op 27 april 2005 (zie LJN AT4658) in hoger beroep de verdachte, ter zake van dezelfde feiten als in eerste aanleg, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar.

De verdachte heeft samen met zijn mededaders het slachtoffer meegenomen in de auto. Hij heeft zijn mededader Goran M. geholpen bij het wurgen van het meisje. Vervolgens hebben zij het lichaam weggevoerd, met benzine overgoten en in brand gestoken.
Het hof Arnhem heeft in december 2004 aan mededader Goran M. 10 jaar cel en tbs met dwangverpleging opgelegd. Mededader Goran P. kreeg vijf jaar cel opgelegd omdat hij bij de misdaden aanwezig was en niets deed om het slachtoffer te helpen. Alleen Ferdi Ö. heeft tegen zijn veroordeling cassatieberoep ingesteld.

Zijn zaak heeft in cassatie meer specifiek betrekking op de vraag of sprake is geweest van een volledige bekentenis. Per 1 januari 2005 is de wet gewijzigd voor wat betreft de motivering van uitspraken. Als een verdachte hetgeen waarvoor hij wordt vervolgd (volledig) heeft bekend, kan de rechter in zijn motivering van de bewezenverklaring volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen zonder deze uit te schrijven.

Het cassatieberoep bij de Hoge Raad
De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van het hof. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat in Spijkenisse, geklaagd over het impliciete oordeel van het hof dat de verdachte hetgeen waarvoor hij werd vervolgd volledig heeft bekend. De verdachte zou het opzet op de dood van het slachtoffer hebben ontkend. Het gevolg zou zijn dat de uitspraak van het hof onvoldoende zou zijn gemotiveerd.
De advocaat-generaal mr. A.J.M. Machielse heeft in zijn conclusie van 23 mei 2006 de Hoge Raad geadviseerd het cassatieberoep te verwerpen.

Uitspraak van de Hoge Raad
De Hoge Raad stelt dat van een "bekentenis" sprake is indien de betrokkene het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. In dit geval heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een uitgebreide verklaring afgelegd over hetgeen zich heeft afgespeeld voorafgaand, tijdens en na de moord en zijn rol daarin. Het hof heeft die verklaring in haar geheel bezien kunnen aanmerken als een duidelijke en ondubbelzinnige bekentenis van hetgeen waarvoor de verdachte werd vervolgd, inclusief zijn opzet op de levensberoving. Het hof heeft daarom kunnen volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen zonder deze in detail uit te schrijven.
De Hoge Raad heeft in zijn ui

tspraak het door Ferdi Ö. ingestelde cassatieberoep verworpen, behoudens voor wat betreft de strafoplegging. Daarop is een maand gekort vanwege een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting.Dit heeft tot gevolg dat de beslissing van het hof overigens in stand blijft. Met deze uitspraak van de Hoge Raad is de veroordeling van de verdachte definitief geworden.

bron:Hoge Raad