Deze uitspraak betreft de strafzaak tegen
de moeder van de - ten tijde van het delict - drieëneenhalf
jaar oude Savanna. Op 20 september 2004 heeft de verdachte haar
dochter een washandje in de mond gestopt en dat met een verband
vastgezet om te voorkomen dat Savanna het washandje uit haar mond
zou trekken. Vervolgens heeft ze Savanna onder een bed geduwd en
haar daar alleen achter gelaten, waarna het kind - dat ten gevolge
van ondervoeding in een slechte fysieke conditie verkeerde - is
overleden. Daarna heeft de verdachte samen met haar partner het
lichaam van Savanna in de kofferbak van hun auto gelegd en
weggevoerd.

Het hof 's-Gravenhage heeft op 26 januari
2006 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren
en terbeschikkingstelling met dwangverpleging wegens doodslag,
medeplegen van het onttrekken van een lijk aan nasporing en
medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving (meermalen gepleegd).
Zie rechtspraak.nl, LJN AV0466.

Het cassatieberoep bij de Hoge Raad

De verdachte heeft tegen de veroordeling
door het hof beroep in cassatie ingesteld. De zaak is in cassatie
voor haar behandeld door mr. A.C. Huisman en mr. A.R. Maarsingh,
beiden advocaat in Deventer. De klachten van de verdachte tegen de
uitspraak van het hof zijn onder meer gericht tegen:

de bewezenverklaring van de doodslag,
aangezien uit de bewijsmiddelen niet zou kunnen volgen dat de
verdachte Savanna opzettelijk van het leven heeft beroofd

en

de afwijzing door het hof van het verzoek
van de verdediging om een deskundige te benoemen voor het geven van
een 'second opinion' over het omtrent de verdachte uitgebrachte
rapport van het Pieter Baan Centrum.

Advocaat-Generaal Machielse heeft in zijn
conclusie van 20 maart 2007 de Hoge Raad geadviseerd het
cassatieberoep te verwerpen.

Uitspraak van de Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt de bezwaren van de
verdachte. De Hoge Raad laat het oordeel van het hof in stand dat
de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard
dat Savanna ten gevolge van haar handelen zou komen te overlijden.
Ook laat de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand dat het
verzoek van de verdediging om een deskundige te benoemen voor het
geven van een 'second opinion' onvoldoende aanknopingspunten
bevat voor de noodzaak van het doen verrichten van zo'n nader
onderzoek.

Wegens overschrijding van de redelijke
termijn vermindert de Hoge Raad ter compensatie de gevangenisstraf
met een maand.

De beslissing van het hof blijft voor het
overige in stand.

De verdachte is dus veroordeeld tot een
gevangenisstraf van vijf jaren en elf maanden en
terbeschikkingstelling met dwangverpleging, wegens doodslag,
medeplegen van het onttrekken van een lijk aan nasporing en
medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving (meermalen
gepleegd).

Gevolgen van deze uitspraak

Met deze uitspraak van de Hoge Raad is de
veroordeling van de verdachte onherroepelijk geworden.

bron:Hoge Raad