Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening in de zaak Bouterse af



Het hof Den Haag heeft aanvrager op 30 juni 2000 tot een gevangenisstraf van elf jaar veroordeeld en zijn gevangenneming bevolen, wegens invoer van cocaïne, in 1997, in Nederland, samen en in vereniging met X en anderen (het zgn. Stellendamtransport). De Hoge Raad heeft op 23 oktober 2001 het tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep verworpen. Daardoor is die veroordeling door het hof onherroepelijk geworden.

Op 14 maart 2002 is namens aanvrager een herzieningsverzoek ingediend bij de Hoge Raad, welk verzoek op 4 maart 2003 door de Hoge Raad is afgewezen. In artikel 457, eerste lid aanhef en onder 2°, van het wetboek van Strafvordering staat de grond voor een herzieningsverzoek beschreven. Kort samengevat moet er sprake zijn van een nieuw feit, dat ten tijde van de veroordeling niet bekend was bij de rechter die oordeelde, en welk feit, zeer waarschijnlijk, tot een ander oordeel van die rechter zou hebben geleid, als hij daar wel mee bekend was geweest.
Het verzoek tot herziening.
Op 25 juli 2005 heeft mr. I.N. Weski, advocaat te Rotterdam, een aanvraag tot herziening bij de Hoge Raad ingediend. Deze aanvraag berust onder meer op de volgende gronden:
De eerste grond komt hierop neer dat uit nieuw bekend geworden feiten zou blijken dat het OM in de strafzaak ernstig is te kort geschoten door aan het hof geen volledige opening van zaken te geven over de met getuige X getroffen overeenkomst. Daaruit zou ook volgen dat de in de strafzaak tegen aanvrager door X afgelegde verklaringen niet overeenkomstig de waarheid zijn afgelegd.

De tweede grond berust op een op 2 mei 2005 afgelegde verklaring van Y, eigenaar van het schip waarmee het drugstransport heeft plaatsgevonden. Deze verklaring houdt in dat getuige X in 1998 tegenover Y al had gezinspeeld op het afleggen van een belastende verklaring tegen aanvrager waarmee hij justitie een plezier zou doen en waarvoor hijzelf strafvermindering zou krijgen. Dit terwijl aanvrager volgens Y niets met die zaak te maken had en getuige X dat tegenover hem ook zou hebben toegegeven.
De Hoge Raad heeft op 31 januari 2006 de aanvrage tot herziening afgewezen. Hij is van oordeel dat de aangevoerde feiten en omstandigheden noch afzonderlijk, noch in samenhang, een ernstig vermoeden vormen zoals bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrage is kennelijk ongegrond.
Bron: Hoge Raad der Nederlanden



Comments are closed.
%d bloggers liken dit: