Het aantal werkloze jongeren is de
afgelopen twee jaar teruggelopen. Ook het aantal WW- en
bijstandsuitkeringen aan jongeren daalde fors. Dat blijkt uit de
notitie jeugdwerkloosheid die staatssecretaris Van Hoof van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid vandaag naar de Tweede Kamer heeft
gestuurd.

De notitie geeft inzicht in de doelgroep
van het kabinetsbeleid, de jongeren tussen 15 en 22 jaar. Dat zijn
er meer dan 1,5 miljoen. Van deze groep zit ruim 1,2 miljoen op
school en 231 duizend van hen hebben een baan. Een groep van 97
duizend jongeren gaat niet naar school en werkt ook niet. Van hen
zijn er 34 duizend werkloos. De overige 63 duizend biedt zich niet
aan op de arbeidsmarkt. Van hen willen er 18 duizend wel werken,
maar zij zijn niet direct beschikbaar. De resterende 45 duizend
jongeren willen niet werken.

Het volgen van een deeltijdopleiding is
voor 22 duizend van deze groep de reden daarvoor. Zesduizend geven
zorgtaken op als reden, 9 duizend zijn ziek en 8 duizend jongeren
hebben geen duidelijke redenen waarom ze niet willen werken. Van de
45 duizend jongeren die niet willen werken beschikken 26 duizend
niet over voldoende vooropleiding om succesvol te zijn op de
arbeidsmarkt. Het kabinet gaat hierbij uit van een diploma op
minimaal MBO-2

niveau.

Jongeren die onvoldoende vooropleiding
hebben gehad zijn vaker werkloos dan jongeren die hier wel over
beschikken. Van de eerste groep is 16,5 procent werkloos, bij de
groep met voldoende vooropleiding is dat 10 procent. Het kabinet is
dan ook blij met de toename van het aantal jongeren dat onderwijs
volgt. Dat aantal steeg van 74 procent in 2003 tot 79 procent nu.
Tegelijkertijd daalde de omvang van de groep met onvoldoende
vooropleiding die niet naar school gaat en ook niet wil werken van
34 duizend naar 26 duizend.

De werkloosheid onder niet-westerse
allochtone jongeren blijft hoog. Bij hen is de

werkloosheid twee maal zo hoog als voor
het totaal van de groep jongeren. Opvallend

daarbij is dat de werkloosheid onder de
jongens daalt, terwijl die bij de meisjes stabiel blijft.

De in de notitie vastgestelde hogere
instroom in het onderwijs werkt door in het

werkloosheidspercentage. Dat zal - bij een
gelijkblijvende werkloosheid - oplopen. Dit

komt doordat jongeren die voltijds naar
school gaan niet meetellen voor de

beroepsbevolking. Daardoor wordt het
aantal werklozen afgezet tegen een kleinere

beroepsbevolking, wat leidt tot een
procentuele stijging.

Ondanks het hiervoor beschreven mechanisme
is de jeugdwerkloosheid tussen november 2004 en augustus 2006 met 2
procentpunt gedaald van 15 naar 13 procent. De totale werkloosheid
daalde over dezelfde periode 1 procentpunt. Het aantal
bijstandsuitkeringen aan jongeren is sinds juni 2004 met 30 procent
gedaald. Het aantal WW-uitkeringen is over dezelfde periode met een
daling van 47 procent bijna gehalveerd.

bron:SZW