Een op de twintig leerlingen in het voortgezet onderwijs liep in 2004 vertraging op. Op de havo was dat zelfs een op de tien. Niet-westers allochtone leerlingen hadden vaker te kampen met vertraging. In de overgang van schooljaar 2003/’04 naar 2004/’05 liep 5 procent van de leerlingen in het voortgezet onderwijs vertraging op door zittenblijven of door een overstap naar een schoolsoort van lager niveau. Op de havo was 10 procent van de leerlingen vertraagd, op het vwo 6 procent. Dit blijkt uit een recente publicatie van het CBS.

In leerjaren 1 en 2 was het aandeel vertraagde leerlingen het kleinst. In deze leerjaren is vaak nog geen schoolkeuze gemaakt. De vertraging heeft dan alleen betrekking op zittenblijven. Van de leerlingen van niet-westers allochtone herkomst had in 2004 gemiddeld 6,7 procent vertraging. Onder autochtone leerlingen was dat 4,7 procent. De verschillen naar herkomstgroepering zijn beperkt. Leerlingen van Antilliaanse en Arubaanse herkomst liepen iets minder vertraging op dan de gemiddelde niet-westerse allochtone leerling (5,9 procent). Leerlingen van Turkse (6,7 procent) en van overig niet-westerse herkomst hadden juist iets vaker vertraging (7,2 procent).
Turkse leerlingen vaak vertraagd
Leerlingen van Turkse herkomst hadden het vaakst vertraging in zowel vmbo als havo en vwo. Ook leerlingen van Surinaamse komaf liepen meer dan gemiddeld vertraging op in vmbo, havo en vwo. Zij bleven echter relatief minder vaak zitten in de eerste twee leerjaren. Overig niet-westers allochtonen deden relatief vaak een eerste of tweede leerjaar over. Vanaf leerjaar 3 is hun vertraging niet meer zo opvallend.
Scholen in kleinere gemeenten doen het beter
Op scholen in de kleinere gemeenten kwam in 2004 minder vertraging voor dan op scholen in de grote gemeenten. Dit gold voor zowel de autochtone als de niet-westerse leerlingen. Het grootst is het verschil bij leerlingen in de eerste twee jaren van het voortgezet onderwijs.
bron:CBS